Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:1964

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
22/1401
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening en toewijzing proceskostenvergoeding in beslagvrije voet zaak

Verzoeker heeft het UWV gevraagd de beslagvrije voet aan te passen. Het UWV stelde deze aanvankelijk vast op €741,- per maand en handhaafde dit in een besluit van 4 februari 2022. Verzoeker diende bezwaar in en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. Vervolgens nam het UWV op 7 maart 2022 een nieuw besluit waarin de beslagvrije voet werd verhoogd naar €978,- per maand.

De voorzieningenrechter oordeelde dat door het nieuwe besluit het spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening was komen te vervallen. Op grond van artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen bij onverwijlde spoed, wat hier ontbrak. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Wel achtte de voorzieningenrechter de gewijzigde besluitvorming aanleiding om het verzoek om proceskostenvergoeding toe te wijzen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht van €50,- en de kosten van rechtsbijstand van €759,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1401

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: Y. Huisman).

Procesverloop

Op 18 januari 2022 heeft het Uwv de beslagvrije voet van verzoeker vastgesteld op € 741,- per maand. Verzoeker heeft aan het Uwv gevraagd om de hoogte van zijn beslagvrije voet aan te passen. In het besluit van 4 februari 2022 (primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat de hoogte van de beslagvrije voet ongewijzigd blijft.
Tegen het primaire besluit heeft verzoeker bezwaar ingediend. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 7 maart 2022 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen waarin de beslagvrije voet opnieuw is vastgesteld op een bedrag van € 978,- per maand.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Verzoeker heeft in de brief van 13 april 2022 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat er geen sprake meer is van spoedeisend belang omdat het Uwv de beslagvrije voet heeft aangepast in het besluit van 7 maart 2022.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
De voorzieningenrechter ziet in de gewijzigde besluitvorming in de bezwaarprocedure aanleiding om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiser.
De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de voorzieningenrechter vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 759.- en een wegingsfactor 1).
Ook moet het Uwv het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoeker van € 759,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.