ECLI:NL:RBMNE:2022:2106

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
UTR 22/1748
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar na eerdere dwangsombeschikkingen

Eiser heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaar van 11 juni 2019. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken deze beroepen gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen een bepaalde termijn alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom bij niet-naleving.

In het onderhavige vierde beroep stelt eiser opnieuw dat verweerder niet tijdig heeft beslist. Echter betreft dit beroep hetzelfde rechtsfeit als het beroep met zaaknummer UTR 22/1510, waarop de rechtbank op 24 mei 2022 uitspraak heeft gedaan en een dwangsom heeft opgelegd.

Gezien deze eerdere uitspraak en de daarbij opgelegde dwangsom bestaat er reeds een financiële prikkel voor verweerder om te beslissen. Daarom verklaart de rechtbank het huidige beroep niet-ontvankelijk, omdat het geen nieuwe grondslag biedt en daarmee niet ontvankelijk is op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het houden van een zitting en wijst proceskosten af. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens eerdere dwangsombeschikkingen voor hetzelfde niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Op 30 april 2019 heeft verweerder geweigerd om handhavend op te treden. Eiser heeft hiertegen op 11 juni 2019 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft niet op tijd op eisers bezwaar beslist en daarom heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Vervolgens heeft eiser beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep (zaaknummer UTR 20/4250) op 18 maart 2021 gegrond verklaard. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak moet beslissen op het bezwaar van eiser. Als verweerder dit niet doet, verbeurt hij een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Vervolgens heeft eiser nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft dit beroep (zaaknummer UTR 21/4205) op 29 november 2021 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Als verweerder dit niet doet verbeurt hij een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Eiser heeft op 27 maart 2022 voor de derde keer beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep heeft zaaknummer UTR 22/1510.
Op 19 april 2022 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 11 juni 2019. Dit beroep betreft deze zaak.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eisers beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Dit beroep betreft het vierde beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar van 11 juni 2019.
3. Eiser heeft echter op 27 maart 2022 ook al beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 11 juni 2019. De rechtbank heeft dit beroep (met zaaknummer UTR 22/1510) op 24 mei 2022 gegrond verklaard. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken. Als verweerder dit niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 300,- per dag met een maximum van € 45.000,-.
4. Het onderhavige beroep is dus gericht tegen hetzelfde rechtsfeit als het beroep met zaaknummer UTR 22/1510, te weten het niet beslissen op het bezwaarschrift van 11 juni 2019, terwijl er gezien de uitspraak die de rechtbank in die zaak heeft gedaan, (weer) een financiële prikkel bestaat voor verweerder om te beslissen op eisers bezwaarschrift.
5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk zal verklaren.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.