ECLI:NL:RBMNE:2022:2131

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
21/1402
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31.1 planregels bestemmingsplan Laren-NoordArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.1 Wabo lid 1 onder a en c
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor erfafscheiding van twee meter in afwijking van bestemmingsplan gegrond verklaard

Een vergunninghouder plaatste een erfafscheiding van twee meter hoog, terwijl het bestemmingsplan een maximale hoogte van één meter toestaat. Het college verleende een omgevingsvergunning om van het bestemmingsplan af te wijken, met de voorwaarde dat er hedera tegen de afscheiding wordt geplant. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

Eiseres stelde dat de afwijking niet voldeed aan de voorwaarden van het bestemmingsplan en dat er geen zorgvuldige belangenafweging had plaatsgevonden. Ook vond zij dat het bouwplan in strijd was met de redelijke eisen van welstand. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. De erfafscheiding past binnen de omgeving en de belangen van vergunninghouder en gemeente wegen zwaarder dan die van eiseres.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat het college terecht het positieve advies van de welstandscommissie Mooisticht had gevolgd en dat er geen sprake was van strijd met de redelijke eisen van welstand. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard, de vergunning blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor de erfafscheiding blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: ir. H. Timmermans),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren (het college)

(gemachtigde: H. Zahri).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: J.C.A. de Jonge uit Laren. (vergunninghouder)

Inleiding

Derde-partij (hierna: vergunninghouder) heeft een erfafscheiding van twee meter hoog op zijn perceel aan de [adres] in [plaats] geplaatst. In het besluit van 17 juni 2020 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder ter legalisering een omgevingsvergunning verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. Onderdeel van de gevraagde en verleende vergunning is dat er hedera tegen de erfafscheiding geplant zal worden.
Eiseres heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit. Het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard in het besluit van 2 maart 2021 (het bestreden besluit). Het college heeft de omgevingsvergunning met een aanvullende motivering in stand gelaten.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Het bestreden besluit
1. De door vergunninghouder geplaatste erfafscheiding ligt binnen gronden met de bestemming ‘Tuin’ van het bestemmingsplan Laren-Noord (het bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan mogen terrein- en erfafscheidingen niet hoger dan een meter zijn. De erfafscheiding van vergunninghouder is twee meter hoog. Op grond van artikel 31.1, onder g, van de planregels heeft het college de bevoegdheid om binnen de bestemming ‘Tuin’ een omgevingsvergunning te verlenen voor een erfafscheiding met een bouwhoogte van maximaal twee meter. Het college heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Aan vergunninghouder is een omgevingsvergunning verleend om te bouwen en om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. [1]
2. In het bestreden besluit heeft het college in de aanvullende motivering gesteld dat de plaatsing van het hekwerk voldoet aan de voorwaarden van artikel 31.1 en dat er sprake is van een bijzondere situatie. Na afweging van de betrokken belangen is het college van mening dat de omgevingsvergunning in stand moet blijven.
Het geschil
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Volgens eiseres wordt met de plaatsing van de erfafscheiding niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 31.1, van het bestemmingsplan. Daarnaast heeft er bij de verlening van de omgevingsvergunning geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, aldus eiseres. Ook vindt eiseres het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand.
Beoordelingskader
4. Het college kan een omgevingsvergunning om van het bestemmingsplan af te wijken verlenen als de gevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij de beslissing om wel of niet toepassing te geven aan deze afwijkingsbevoegdheid heeft het college beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter stelt niet zelf vast of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
Beoordeling rechtbankGoede ruimtelijke ordening en belangenafweging
5. Eiseres vindt dat de erfafscheiding niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 31.1 van het bestemmingsplan stelt aan de mogelijkheid tot afwijking. Een erfafscheiding van twee meter is niet een afwijking van beperkte aard. Op grond van het bestemmingsplan is een erfafscheiding van een meter toegestaan, een erfafscheiding van twee meter betekent een verdubbeling van de bouwhoogte die rechtstreeks is toegestaan. Verder is eiseres van mening dat artikel 31.1, van de planregels niet bedoeld is voor een groot perceel zoals dat van vergunninghouder. Ook is volgens eiseres geen sprake van een bijzonder geval dat afwijking van de hoogte van één meter zou rechtvaardigen.
6. Volgens het college moet de term ‘bijzonder geval’ niet zo nauw worden geïnterpreteerd dat slechts bij hoog uitzonderlijke gevallen gebruik kan worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid. De gevallen die in aanmerking komen voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 31.1 van de planregels, mogen als bijzondere gevallen beschouwd worden. Voor hoog uitzonderlijke gevallen zijn volgens het college andere middelen aangewezen, zoals het toepassen van kruimelgevallen of buitenplans afwijken. De huidige erfafscheiding van vergunninghouder staat er al 40 jaar en moet vervangen worden. Verder vindt het college de situatie van vergunninghouder een bijzonder geval, gelet op de buurt waarin het pand van vergunninghouder gelegen is. Er is sprake van grote percelen met grote vrijstaande huizen. In die omgeving van grote percelen waarin veel volumineuzere, brede en hoge erfafscheidingen staan past het hekwerk van vergunninghouder. Daarnaast is er sprake van een bijzondere situatie omdat het in deze omgeving slechts toestaan van lage hekwerken zou leiden tot verarming van de bestaande kwaliteit.
7. Het college is van mening dat de plaatsing van de erfafscheiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door de politie en de welstandscommissie Mooisticht (hierna: Mooisticht) is geconstateerd dat het bebouwingsbeeld de belevingswaarde van het huidige straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig aantast. Doordat de omringende percelen eveneens zijn voorzien van hoge hagen aan de straatzijde van deze percelen, zal de erfafscheiding zich goed voegen in het straat- en bebouwingsbeeld evenals de woonomgeving. Tegen de erfafscheiding zijn/worden beplantingen geplant waardoor de erfafscheiding langs de erfgrens niet meer zichtbaar is en daarmee noch aan de milieusituatie, noch aan de natuurwaarde en de sociale veiligheid onevenredige afbreuk wordt gedaan.
8. Verder stelt het college zich op het standpunt dat het belang van eiseres minder zwaar moet wegen dan het belang van vergunninghouder en de gemeente bij de plaatsing van de erfafscheiding. Het belang van eiseres is voornamelijk gelegen in een open en groene leefomgeving en in handhaving van het bestemmingsplan. Het belang van vergunninghouder is voornamelijk het verkleinen van de inbraakgevoeligheid. Een erfafscheiding van twee meter hoog verkleint de kans op inbraken op het perceel van vergunninghouder. Daarnaast speelt het gemeentelijk belang mee. Bij een erfafscheiding lager dan twee meter is er sprake van een verarming van de ruimtelijke kwaliteit. Met de vergunde erfafscheiding wordt daarnaast ontsiering van de omgeving weggenomen doordat de erfafscheiding een groene aanblik heeft.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college met deze motivering in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank is het met eiseres eens dat op grond van het bestemmingsplan hekwerken op het perceel van vergunninghouder niet hoger mogen zijn dan een meter. Hetzelfde bestemmingsplan biedt het college ook de bevoegdheid om een hekwerk tot een bouwhoogte van twee meter toe te staan. Met de motivering van het college heeft het college uitgelegd waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een hekwerk met een bouwhoogte van twee meter toe te staan. Bij het toepassen van die bevoegdheid heeft het college ook rekening gehouden met de belangen van eiseres. De rechtbank vindt dat het college de belangen van eiseres minder zwaar mocht laten wegen dan de belangen van vergunninghouder en de gemeente. Bij die belangenafweging is ook van belang dat het college de plaatsing van het hekwerk niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening mocht achten. Het verlenen van de omgevingsvergunning is daarmee in overeenstemming met artikel 31.1, van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.
Redelijke eisen van welstand
10. Eiser vindt dat het hekwerk niet passend is in de omgeving. Het hekwerk is namelijk direct aan de zijde van de openbare weg geplaatst en niet aan het zicht onttrokken. Geen enkele andere woning in dit gebied heeft op een legale wijze een dergelijke hoog hek geplaatst voor de woning.
11. De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat eiseres hiermee wil aanvoeren dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag hij op dat advies afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
12. Het college heeft Mooisticht om advies gevraagd over het bouwplan van vergunninghouder. Mooisticht adviseert in haar advies van 9 juni 2020 positief over het bouwplan van vergunninghouder. Op basis van dit welstandsadvies is het college van mening dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De rechtbank kan de motivering van het college volgen dat er geen strijd is met de redelijke eisen van welstand. Eiseres heeft geen tegenadvies overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat het advies van de Mooisticht onzorgvuldig tot stand is gekomen of op een andere manier gebreken bevat. Ook heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de erfafscheiding in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid onder a en c, in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.