ECLI:NL:RBMNE:2022:2147
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in Utrecht per 1 januari 2020 centraal. De gemeente heeft de waarde vastgesteld op €320.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €248.000,- betwist. De rechtbank toetst of de gemeente voldoende bewijs heeft geleverd dat de waarde niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer.
De gemeente heeft een taxatiematrix en taxatierapport overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde omgeving, met vergelijkbare bouwjaren en verkoopdata nabij de waardepeildatum. De rechtbank acht deze vergelijkingen betrouwbaar en vindt dat de gemeente de waardeverhouding inzichtelijk heeft gemaakt.
Eiser heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd, waaronder het ontbreken van inzicht in het indexeringspercentage, KOUDV-factoren, objectonderdelen en de invloed van ligging en woningtype (drive-in woning). De rechtbank oordeelt dat het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden op de zitting in strijd is met de goede procesorde en dat de overige gronden onvoldoende onderbouwd zijn. Ook het ontbreken van inpandige foto's is voor risico van eiser.
De rechtbank concludeert dat de gemeente de WOZ-waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €320.000,- wordt ongegrond verklaard.