Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265j lid 3 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in netwerkpleeggezin
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 13 mei 2022 het verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2007 en 2009, die verblijven bij hun tante en opa moederszijde in een netwerkpleeggezin.
De vader maakte bezwaar tegen de verlenging en vroeg om plaatsing in een neutraal pleeggezin en een onderzoek door de Raad. De moeder en pleegouders steunden de verlenging en het perspectief in het huidige pleeggezin. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn voldaan, dat de kinderen nog steeds ernstig bedreigd worden in hun ontwikkeling en dat de ouders onvoldoende in staat zijn de bedreigingen binnen een vrijwillig kader weg te nemen.
De rechtbank wees het verzoek van de vader af, omdat een plaatsing in een ander pleeggezin niet in het belang van de kinderen is en vreest dat dit tot nieuwe traumatisering zou leiden. Het perspectief ligt bij het huidige netwerkpleeggezin. De rechtbank benadrukte de noodzaak van betrokkenheid van de gecertificeerde instelling en het belang van het verbeteren van de omgang tussen kinderen en ouders.
Het verzoek om een onderzoek door de Raad op grond van artikel 810 RvPro werd afgewezen, omdat de rechtbank geen aanleiding zag om ambtshalve advies in te winnen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in het netwerkpleeggezin tot 12 april 2023 en wijst de verzoeken van de vader af.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/535204 / JE RK 22-306
Datum uitspraak: 13 mei 2022
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, hierna: de GI,
locatie Utrecht,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [2007] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [2009] te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] , hierna: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. D.M.A. Al Dulaimi,
[de vader] , hierna: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. K.G.I.M. Schröder,
de pleegouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna: tante en opa moederszijde (mz),
wonende te Maarssen.
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van 18 maart 2022. In die beschikking zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van vijf weken, tot 17 mei 2022, omdat het gelet op de aflooptermijn van de maatregelen en de geringe zittingsruimte van de rechtbank niet haalbaar was om het verzoek voor afloop van de termijn te behandelen.
Daarna heeft de rechtbank nog ontvangen: het e-mailbericht van de vader van 10 mei 2022 met vijf producties.
Het verzoek is door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 mei 2022. Hierbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de GI;
de pleegouders.
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd wat zij van het verzoek vinden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 12 mei 2022 met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken.
De feiten
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 18 maart 2022.
In de beschikking van 18 maart 2022 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 12 april 2022, voor de duur van vijf weken, te weten tot 17 mei 2022. Verder heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 17 mei 2022. De beslissing op het overige deel van de verzoeken heeft de kinderrechter aangehouden.
Het verzoek
De GI heeft schriftelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen met één jaar. Verder wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van een half jaar.
Op de zitting heeft de GI haar verzoek mondeling gewijzigd, in die zin dat zij ook ten aanzien van [minderjarige 2] verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van één jaar. De GI heeft toegelicht dat de verzochte termijn van een half jaar voor [minderjarige 2] een fout is in het verzoekschrift. Namens de vader is bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] . De rechtbank verwerpt dit bezwaar. De vader is door de wijziging niet in zijn mogelijkheden tot het voeren van verweer geschaad.
Het standpunt van de belanghebbenden
De vader heeft mondeling verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen dan wel te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van maximaal één maand wordt verlengd. De vader wil dat de kinderen in een ander (neutraal) pleeggezin worden geplaatst. De vader heeft zijn twijfels bij de plaatsing van de kinderen bij de familie van de moeder. Gelet op de ingewikkelde verhoudingen tussen tante en opa (mz) enerzijds en de vader anderzijds, heeft de vader het gevoel dat hij hierdoor buiten spel staat. Het is met de inzet van de contextuele therapie (nog) niet gelukt om de verhoudingen tussen de vader en de pleegouders te verbeteren. De vader vraagt zich af of plaatsing in een neutraal pleeggezin achteraf gezien niet beter was geweest. De vader vindt verder dat het op de weg van de GI had gelegen om een perspectiefbesluit te nemen, zodat daarover gesproken had kunnen worden op de zitting en zodat er duidelijkheid zou zijn geweest voor de ouders. Op dit moment heeft de GI namelijk niet expliciet gezegd dat zij vindt dat het perspectief van de kinderen in het pleeggezin ligt, maar uit hun handelen en het stopzetten van de hulpverlening maakt de vader op dat de GI wel degelijk al een perspectiefbesluit heeft genomen. De vader maakt zich ook zorgen over het verloop van de omgang. Sinds de kinderen bij tante en opa (mz) wonen, verloopt het contact tussen de vader en de kinderen steeds minder goed. De kinderen wijzen beide ouders af. Hierdoor is de frequentie van de omgang verminderd en inmiddels is ook de omgangsbegeleiding stopgezet. Op de zitting heeft de vader ook mondeling een verzoek gedaan om op grond van artikel 810 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onderzoek te gelasten door de Raad. Dit onderzoek zou zich moeten richten op de vragen wat het perspectief van de kinderen is, wat de beschermende factoren zijn van het huidige netwerkpleeggezin ten opzichte van een neutraal pleeggezin en welke mogelijkheden er zijn om de omgang weer vlot te trekken.
De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar. Verder vindt de moeder het belangrijk dat het perspectief van de kinderen bij tante en opa wordt vastgesteld. Hoewel de moeder betreurt hoe het is gelopen, vindt ze duidelijkheid over en continuering van het verblijf bij opa en tante voor de kinderen op dit moment het belangrijkst. Daarnaast vindt de moeder het zorgelijk hoe de omgang met de kinderen nu verloopt. Ze wil dat daar de juiste hulp voor wordt ingezet. De moeder is het niet eens met het mondelinge verzoek van de vader om een onderzoek door de Raad te gelasten. De moeder heeft er vertrouwen in dat de GI de benodigde hulp zal inzetten.
Tante en opa (mz) zijn het eens met de verzoeken van de GI. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich goed bij hen. Tante en opa (mz) vinden het wel zorgelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun ouders afwijzen.
De beoordeling
Beslissing
De rechtbank zal de verzoeken van de GI toewijzen. Dat betekent dat de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin zal verlengen tot 12 april 2023. De rechtbank wijst de verzoeken van de vader af. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Verlenging van de ondertoezichtstelling
De rechtbank vindt dat aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig bedreigd in hun ontwikkeling en de rechtbank acht de ouders op dit moment onvoldoende in staat om de genoemde bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een vrijwillig kader weg te nemen. Zoals ook uit de eerdere beschikkingen blijkt hebben de kinderen veel ruzies en mogelijk fysiek geweld tussen de ouders meegemaakt en zijn zij daardoor ernstig beschadigd, zozeer zelfs dat er in 2018 bij [minderjarige 1] een ernstige conversiestoornis is gediagnosticeerd. Op dit moment gaat het gelukkig een stuk beter met de kinderen. Zij ontwikkelen zich goed bij tante en opa (mz), het gaat goed op school en de kinderen hebben veel vriendjes en vriendinnetjes. De kinderen zijn van ver gekomen. Het beleid van de GI heeft zijn vruchten afgeworpen, maar de ontwikkelingsbedreiging is nog niet geheel weggenomen, omdat de kinderen beide ouders afwijzen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de GI betrokken blijft zodat zij toezicht kan houden op de ontwikkeling van de kinderen en op de relatie van de kinderen met hun ouders.
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter vindt ook dat aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de machtiging uithuisplaatsing is voldaan. [2] De kinderrechter vindt de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Sinds februari 2021 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij tante en opa (mz). Het gaat daar heel goed met de kinderen. Sinds de kinderen daar verblijven, hebben zij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het netwerkpleeggezin is vertrouwd voor de kinderen, zij voelen zich daar thuis en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ieder aan de kinderrechter verteld dat zij daar graag willen blijven wonen.
De rechtbank vindt het belangrijk voor zowel de kinderen als voor de ouders dat het perspectief van de kinderen duidelijk wordt. Iedereen heeft behoefte aan duidelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat het perspectief op dit moment bij tante en opa (mz) ligt. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hun verblijfplaats opnieuw te wijzigen en om hen te plaatsen in een neutraal pleeggezin, zoals door de vader is verzocht. De vader heeft op de zitting toegelicht dat dit verzoek bedoeld is om een doorbraak te forceren. De rechtbank begrijpt dat de vader een doorbraak wil, maar is van oordeel dat een plaatsing van de kinderen in een ander pleeggezin absoluut niet aan de orde kan zijn. De rechtbank vreest dat de kinderen hierdoor opnieuw getraumatiseerd zullen raken en dat vindt de rechtbank niet in hun belang.
De rechtbank hoopt dat door duidelijkheid te geven over het perspectief bij de kinderen meer ruimte zal ontstaan om het contact met hun ouders aan te gaan. De rechtbank vindt het net als alle belanghebbenden erg zorgelijk dat de kinderen beide ouders zo sterk afwijzen. De rechtbank is het echter niet met de ouders eens dat de GI zich onvoldoende heeft ingezet om deze situatie te verbeteren. Integendeel, de GI heeft hiervoor al veel hulpverlening ingezet. De ouders zijn bij het UMC geweest om samen een brief te schrijven als ouders aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders hadden overeenstemming over deze brief, maar moeder heeft vervolgens toch aangegeven er eigenlijk niet achter te kunnen staan. De rechtbank vindt het jammer dat dit niet gelukt is. Het zou helpend kunnen zijn voor de kinderen, en mogelijk ruimte kunnen creëren bij de kinderen, als het de ouders wel lukt om samen deze brief te sturen aan de kinderen. Misschien zou het helpen als de ouders, omdat zij het kennelijk niet samen over de inhoud van een brief eens kunnen worden, ieder voor zich een brief aan de kinderen schrijven en/of ieder voor zich onder deskundige begeleiding met de kinderen in gesprek gaan, waarin zij erkenning aan de kinderen geven voor het leed dat zij hen hebben aangedaan en oprechte excuses daarvoor maken.
Daarnaast is ZIJN betrokken geweest bij de begeleiding van de omgang tussen de ouders en de kinderen. Uit het eindverslag van ZIJN blijkt dat de kinderen steeds minder in contact willen staan met beide ouders. ZIJN is van oordeel dat er echt iets anders nodig is dan het voortzetten van de begeleide omgang. Dit heeft namelijk voor de kinderen een negatief effect gehad. ZIJN ziet geen belemmeringen om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. De GI heeft op de zitting verteld dat zij de komende tijd wil kijken hoe er wel omgang kan zijn tussen de ouders en de kinderen, waarbij het initiatief vanuit de kinderen komt. De GI wil de druk eraf halen bij de kinderen. Tante en opa (mz) kunnen hierin ook een rol spelen. De rechtbank kan zich met deze beleidswijziging verenigen en is van oordeel dat dit een kans moet krijgen. De rechtbank is er daarnaast van overtuigd dat tante en opa (mz) de belangen van de kinderen voorop kunnen stellen en dat zij de kinderen zullen blijven aanmoedigen om contact te hebben met hun ouders. Verder is contextuele therapie ingezet tussen de pleegouders en de vader om hun onderlinge communicatie en samenwerking te verbeteren. Deze hulp heeft niet het gewenste resultaat gehad, ook omdat de vader blijft hangen in het maken van verwijten aan de pleegouders. De GI heeft daarom besloten dat het niet zinvol was om deze gesprekken voort te zetten.
Kortom, de rechtbank begrijpt de frustratie van de ouders dat de kinderen contact met hen afwijzen, maar de rechtbank is van oordeel dat dit niet het gevolg is van het handelen van de GI. Anders dan door de vader naar voren is gebracht, lijkt ook de plaatsing van de kinderen in het huidige netwerkpleeggezin niet de oorzaak te zijn van het probleem. De kinderen wijzen namelijk beide ouders af en niet alleen de vader. Een loyaliteitsconflict is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Meer aannemelijk is dat de oorzaak moet worden gezocht in de relatie van de kinderen tot de ouders. De kinderen zijn beschadigd door wat zij in het verleden hebben meegemaakt. Hierin hebben beide ouders een aandeel gehad. Het is belangrijk dat hier de komende tijd aandacht aan wordt besteed en dat wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de weerstand bij de kinderen tegen het contact met de ouders weg te nemen.
De rechtbank merkt nog op dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bijna twee jaar uit huis geplaatst zijn. Uit de wet volgt dat indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vergezeld moeten gaan met een advies van de Raad met betrekking tot die verlenging. [3] Indien de GI dus opnieuw een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zal indienen, zal dit vergezeld moeten gaan met een advies van de Raad.
Verzoek van de vader ten aanzien van een onderzoek door de Raad
De rechtbank zal het verzoek van de vader om een onderzoek door de Raad te gelasten op grond van artikel 810 RvPro afwijzen. Op grond van dit artikel kan de rechtbank ambtshalve een advies van de Raad inwinnen. De vader kan dit niet verzoeken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de Raad ambtshalve te vragen om advies. Er is voldoende informatie beschikbaar vanuit de GI en de andere hulpverleningsinstanties. Het probleem is duidelijk, het is nu aan de GI om de mogelijkheden te onderzoeken om het probleem op te kunnen lossen. De rechtbank vat het verzoek van de vader ook niet op als een verzoek op grond van artikel 810a Rv, aangezien de vader specifiek om een onderzoek door de Raad heeft gevraagd.
De beslissing
De rechtbank:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 12 april 2023;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin tot 12 april 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door kinderrechters mr. M.A.A.T. Engbers (voorzitter), mr. M.W.V. van Duursen, mr. J.R. Hurenkamp in tegenwoordigheid van mr. S. Clement, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2022. De beschikking is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door kinderrechter mr. M.W.V. van Duursen en de griffier.
AFSCHRIFT
Voor eensluidend afschrift.
De griffier van de rechtbank.
30 mei 2022
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 mei 2022.
Voetnoten
1.Artikel 1:255 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).