ECLI:NL:RBMNE:2022:2206

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
8 juni 2022
Zaaknummer
UTR 22/1303
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag met toekenning dwangsom

Eiseres heeft op 27 november 2020 een verzoek tot herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag ingediend bij de Belastingdienst. Volgens de wet moest de Belastingdienst binnen zes maanden, met een mogelijke verlenging van zes maanden, beslissen op dit verzoek. Hoewel de termijn eenmaal werd verlengd, heeft de Belastingdienst niet binnen de uiterste datum van 27 november 2021 een besluit genomen.

Eiseres stelde de Belastingdienst op 10 februari 2022 in gebreke, waarna de rechtbank vaststelde dat sindsdien meer dan twee weken waren verstreken zonder besluit. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst een dwangsom verschuldigd is conform de Algemene wet bestuursrecht, en stelde deze vast op €1.442,- voor de periode van 1 maart tot 12 april 2022.

De rechtbank bepaalde dat de Belastingdienst binnen dertien weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de Belastingdienst daarna nog te laat is, moet een dwangsom van €100,- worden betaald, met een maximum van €15.000,-. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot betaling van proceskosten van €379,50 en het griffierecht aan eiseres.

De rechtbank vond de uitleg van de Belastingdienst over de benodigde tijd voor zorgvuldige beoordeling van herbeoordelingen begrijpelijk en rechtvaardigde daarmee de termijn van dertien weken. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen dertien weken alsnog een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1303

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens)
en

Belastingdienst Toeslagen/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. Lint).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek tot herbeoordeling in het kader van de kinderopvangtoeslag.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar verzoek tot herbeoordeling ingediend op 27 november 2020. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. Dat staat in artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Verweerder heeft de termijn verlengd bij brief van 1 mei 2021. Verweerder had dus uiterlijk op 27 november 2021 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 10 februari 2022 in gebreke heeft gesteld, door verweerder ontvangen op 14 februari 2022, en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, van de Awb).
5. Verweerder heeft in het verweerschrift de hoogte van de dwangsom juist vastgesteld. De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 1 maart 2022 tot 12 april 2022 en bedraagt € 1.442,-.
6. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen dertien weken na het verzenden van deze uitspraak. Verweerder heeft uitgelegd dat hij deze tijd nodig heeft, omdat er veel aanvragen zijn ingediend die, net als deze zaak, zien op herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Verweerder wil deze zaken zorgvuldig beoordelen. In de zaak van eiseres moet de persoonlijk zaakbehandelaar alle informatie inwinnen, waarna besluitvorming, eventueel met een advies van de Commissie van Wijzen, zal plaatsvinden. Elk van deze stappen neemt een of twee weken in beslag. De rechtbank vindt dat een goede reden.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
9. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 379,50.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen dertien weken na de dag van verzending van deze uitspraak
alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 379,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit
bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.S. Smits, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.