Eiseres heeft op 27 november 2020 een verzoek tot herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag ingediend bij de Belastingdienst. Volgens de wet moest de Belastingdienst binnen zes maanden, met een mogelijke verlenging van zes maanden, beslissen op dit verzoek. Hoewel de termijn eenmaal werd verlengd, heeft de Belastingdienst niet binnen de uiterste datum van 27 november 2021 een besluit genomen.
Eiseres stelde de Belastingdienst op 10 februari 2022 in gebreke, waarna de rechtbank vaststelde dat sindsdien meer dan twee weken waren verstreken zonder besluit. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst een dwangsom verschuldigd is conform de Algemene wet bestuursrecht, en stelde deze vast op €1.442,- voor de periode van 1 maart tot 12 april 2022.
De rechtbank bepaalde dat de Belastingdienst binnen dertien weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de Belastingdienst daarna nog te laat is, moet een dwangsom van €100,- worden betaald, met een maximum van €15.000,-. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot betaling van proceskosten van €379,50 en het griffierecht aan eiseres.
De rechtbank vond de uitleg van de Belastingdienst over de benodigde tijd voor zorgvuldige beoordeling van herbeoordelingen begrijpelijk en rechtvaardigde daarmee de termijn van dertien weken. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.