Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
tijdelijkzouden bewonen, namelijk van april tot en met december 2021. Uit het feit dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hen op 26 november 2021 hebben gevraagd het gebruik uiterlijk per 31 december 2021 te beëindigen, kan worden afgeleid dat ook zij van diezelfde maximale gebruiksperiode zijn uitgegaan (punt 30 dagvaarding). Een huurovereenkomst voor woonruimte die is aangegaan voor een bepaalde tijd van twee jaar of korter, eindigt wanneer die tijd is verstreken zonder dat daartoe een opzegging vereist is, mits de verhuurder niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat die bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop de huur verstrijkt schriftelijk informeert (het eerste lid, aanhef en onder sub b, van artikel 7:271 van Pro het BW, in samenhang met het eerste lid van artikel 7:228 van Pro het BW). [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in dit geval bij brief (van hun advocaat) van 26 november 2021 aan (de advocaat van) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bericht dat zij het gebruik van de appartementen per 31 december 2021 moeten beëindigen en de appartementen per die datum opleveren (punt 30 dagvaarding). Die schriftelijke kennisgeving is gedaan binnen de wettelijke termijn genoemd in het eerste lid van artikel 7:271 van Pro het BW. Als in een bodemprocedure zou komen vast te staan dat sprake is van een huurovereenkomst voor woonruimte, dan is in hoge mate waarschijnlijk dat ook zal worden geoordeeld dat deze huurovereenkomst op 31 december 2021 is geëindigd.