Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2022 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
Procesverloop
“(..)Partijen overwegen als volgt:
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de afwijzing door het UWV van een aanvraag tot compensatie van de transitievergoeding die eiseres aan haar werkneemster heeft betaald. De werkneemster was langdurig arbeidsongeschikt en had een WGA-uitkering gekregen per 19 november 2019, na afloop van de wachttijd van 104 weken. Eiseres en de werkneemster sloten op 19 december 2019 een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst voor de functie Afdelingsmanager met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2019 werd beëindigd, en een nieuwe arbeidsovereenkomst voor een andere functie werd aangegaan.
Eiseres stelde dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 oktober 2019 was beëindigd, maar dat deze datum slechts administratief was en dat de feitelijke beëindiging na afloop van de wachttijd plaatsvond. Zij beriep zich op een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst als uitgangspunt geldt en dat uit de tekst blijkt dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2019 is beëindigd. Eiseres had onvoldoende onderbouwd dat dit anders was.
De rechtbank verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel omdat de beoordeling van de WIA-uitkering en de compensatieregeling verschillende toetsingskaders kennen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het besluit gebaseerd is op een dwingende wettelijke regeling. De rechtbank concludeerde dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor compensatie van de transitievergoeding en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de arbeidsovereenkomst vóór het einde van het opzegverbod is beëindigd.