ECLI:NL:RBMNE:2022:2296

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
UTR 22/1831
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor inschrijving in basisregistratie personen

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan om per 1 november 2021 te worden ingeschreven op een adres in Almere, maar verweerder stelde dit verzoek buiten behandeling vanwege het ontbreken van een huurovereenkomst. Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om alsnog op de gewenste datum te worden ingeschreven.

Op 19 mei 2022 bleek verzoekster inmiddels per 1 mei 2022 op het adres ingeschreven te staan, waarna zij haar verzoek om voorlopige voorziening introk onder de voorwaarde dat proceskosten worden vergoed. Verweerder weigerde dit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was omdat verzoekster inmiddels op het juiste adres stond ingeschreven. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, omdat het belang van betrouwbare gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) rechtvaardigt dat een huurovereenkomst wordt gevraagd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1831

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: A. Stokhof),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 24 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aangifte van eiser om ingeschreven te worden op een adres in [plaats 1] buiten behandeling gesteld.
In het besluit van 10 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan om per 1 november 2021 op het adres [adres] te [woonplaats] in te worden geschreven. Dit betreft kamerbewoning. Hiervoor woonde verzoekster op een adres in [plaats 2] . Verweerder heeft het verzoek buiten behandeling gesteld en dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De reden daarvoor is dat verzoekster geen huurovereenkomst heeft aangeleverd, wat volgens verweerder wel nodig is voor het in behandeling nemen van de aangifte. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening waarin bepaald wordt dat zij per 1 november 2021 wordt ingeschreven op het genoemde adres.
2. Op 19 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het bericht ontvangen dat verzoekster vanaf 1 mei wel op het adres [adres] te [woonplaats] staat ingeschreven. De voorzieningenrechter heeft hierop partijen gevraagd wat hiervan het gevolg moet zijn voor deze procedure. Verzoekster heeft laten weten het verzoek om een voorlopige voorziening in te willen trekken, mits verweerder bereid is de proceskosten te laten vergoeden. Het beroep heeft verzoekster niet ingetrokken, omdat zij vanaf de juiste datum ingeschreven wil staan. Verweerder heeft laten weten de proceskosten niet te willen vergoeden. Dat verzoekster pas in een laat stadium de juiste documenten heeft ingediend moet immers voor haar rekening komen.
3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen als het verzoek kennelijk ongegrond is. Het begrip ‘kennelijk’ betekent dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er kennelijk geen sprake is van een spoedeisend belang.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Verzoekster is op dit moment immers ingeschreven op het juiste adres, en heeft reeds op die grond geen zwaarwegende belangen bij het spoedig treffen van een voorlopige voorziening.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening in beginsel alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het primaire besluit geen stand zal kunnen houden. Het gaat in dit geschil nog enkel om de datum van inschrijving. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat om te kunnen controleren of een persoon wordt ingeschreven op het adres waar zij feitelijk verblijft, het nodig is om over een huurovereenkomst te beschikken. Gelet op het doel van de Wet brp dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar mogelijk moeten zijn, vindt de voorzieningenrechter dit standpunt en het als gevolg daarvan buiten behandeling stellen van de aangifte niet evident onrechtmatig. In beroep kan deze stelling verder worden getoetst.
7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Het verzoek wordt afgewezen.
8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter is immers van oordeel dat ook op het moment dat verzoekster de voorlopige voorziening indiende, en zij dus nog niet was ingeschreven op het juiste adres, er geen sprake was van spoedeisend belang. Een onjuiste registratie in de brp levert niet per definitie een spoedeisend belang op. Voor het aannemen van spoedeisend belang dient sprake te zijn van een dusdanig acute situatie dat de voorzieningenrechter vanwege zwaarwegende belangen een maatregel moet nemen. Daar was hier geen sprake van. De door verzoekster geschetste gevolgen van een onjuiste registratie waren daarvoor ook onvoldoende concreet.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.