ECLI:NL:RBMNE:2022:2328
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met verzakte aanbouw en proceskostenveroordeling
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning met een verzakte aanbouw. De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de waarde voor 2021 vast op € 323.000,-, wat eiser betwistte met een vordering tot maximaal € 298.000,-. De rechtbank toetste of de waarde niet hoger was vastgesteld dan de marktwaarde en of rekening was gehouden met de mindere kwaliteit door de verzakking.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen werden gebruikt en een correctie voor de matige kwaliteit van de woning werd toegepast. De rechtbank vond dat deze methode en correcties voldoende waren onderbouwd en dat de waardering niet te hoog was vastgesteld. De stelling van eiser dat de verzakking onvoldoende was meegenomen en dat correctie voor afnemend grensnut niet toegestaan was, werd verworpen.
Hoewel het beroep ongegrond werd verklaard, oordeelde de rechtbank dat in de uitspraak op bezwaar onvoldoende duidelijk was gemaakt dat rekening was gehouden met de mindere kwaliteit. Daarom werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser voor de beroepsfase en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 13 mei 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.