ECLI:NL:RBMNE:2022:2334
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €309.500 na onvoldoende onderbouwing verweerder
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de WOZ-waarde van een appartement centraal. Verweerder had de waarde vastgesteld op €339.000 voor het belastingjaar 2021, maar eiser betwistte deze waarde en stelde een maximale waarde van €280.000 voor. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van verweerder, die drie referentiewoningen gebruikte ter vergelijking.
De rechtbank oordeelde dat twee van de drie referentiewoningen niet geschikt waren voor vergelijking: één woning was niet op de openbare markt verkocht en de andere had een inhoud die bijna twee keer zo groot was als de woning van eiser. Hierdoor kon verweerder niet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Eiser had zijn lagere waarde ook niet voldoende onderbouwd.
Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €309.500. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €309.500 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.