Eiser heeft een aanvraag ingediend voor woonurgentie omdat hij dringend woonruimte zoekt en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, waardoor hij zijn kinderen niet kan ontvangen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarden van de Huisvestingsverordening, met name het vereiste dat een zelfstandige woning moet worden achtergelaten.
Eiser voerde aan dat dit vereiste strijdig is met de Huisvestingswet 2014, maar de rechtbank oordeelde dat de gemeentelijke regeling binnen de beleidsruimte valt en niet in strijd is met de wet. Daarnaast heeft verweerder de hardheidsclausule niet toegepast omdat er geen sprake is van een levensbedreigende of vergelijkbare situatie, mede omdat de kinderen onderdak hebben bij hun moeder.
Eiser heeft ook een beroep gedaan op diverse verdragen en de Grondwet, maar de rechtbank vond dat deze niet leiden tot een andere uitkomst. De belangen van de kinderen zijn voldoende betrokken en er is geen recht op woonruimte op grond van het EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af.