ECLI:NL:RBMNE:2022:2380

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
UTR 22/1609
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens eerdere lopende dwangsom bij niet tijdig beslissen WOB-verzoek

Eiser heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) voor het verkrijgen van diverse documenten over werkzaamheden en schademeldingen in de gemeente. Na gedeeltelijke openbaarmaking en het uitblijven van een beslissing op bezwaar, stelde eiser verweerder in gebreke en diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Dit eerste beroep werd gegrond verklaard met een dwangsom die pas op een latere datum zou vollopen.

Ondanks deze lopende procedure stuurde eiser een tweede ingebrekestelling en stelde opnieuw beroep in tegen hetzelfde niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat dit tweede beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het gericht is tegen hetzelfde rechtsfeit terwijl de dwangsom uit het eerste beroep nog niet was volgelopen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen te horen en wijst het beroep af zonder proceskosten toe te kennen. De uitspraak is gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren op 10 juni 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er al een lopende procedure met dwangsom is tegen hetzelfde niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.

Procesverloop

Op 12 mei 2021 heeft eiser een verzoek gedaan tot het overleggen van de volgende stukken:
-alle rapportages van het bedrijf [bedrijf] (niet beperkt tot alleen de berekeningen) die in het kader van de werkzaamheden aan de wal- en kluismuren die sinds 2010 door de gemeente [plaats] zijn ontvangen;
-alle schademeldingen ter zake kelders en panden langs de twee grachten [1] en [2] in de [plaats] binnenstad.
Bij besluit van 30 augustus 2021 (deelbesluit I) heeft verweerder documenten van panden aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] (deels) openbaar gemaakt.
Bij besluit van 20 september 2021 (deelbesluit II) heeft verweerder documenten van panden aan de [1] te [plaats] (deels) openbaar gemaakt.
Op 5 oktober 2021 heeft eiser tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij brief van 17 december 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Op 1 januari 2022 heeft eiser beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 5 oktober 2021.
Dit beroep (zaaknummer UTR 22/2) heeft de rechtbank op 16 maart 2022 gegrond verklaard. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken. Als verweerder dit niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Eiser heeft op 18 maart 2022 een tweede ingebrekestelling gestuurd, omdat verweerder niet op het hierboven genoemde bezwaarschrift van 5 oktober 2021 heeft beslist. Eiser stelt nu opnieuw beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eisers beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Eiser heeft op 18 maart 2022 een tweede ingebrekestelling gestuurd aan verweerder. Deze tweede ingebrekestelling ligt ten grondslag aan het onderhavige beroep.
3. Eiser heeft echter al eerder een beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 5 oktober 2021. De rechtbank heeft dit beroep met zaaknummer UTR 22/2 op 16 maart 2022 gegrond verklaard en een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een dwangsom die pas op 27 augustus 2022 volloopt. Het onderhavige beroep is dus gericht tegen hetzelfde rechtsfeit als het beroep met zaaknummer UTR 22/2, te weten het niet beslissen op het bezwaarschrift van 5 oktober 2021, terwijl er nog een financiële prikkel bestaat voor verweerder om te beslissen op dat bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het opnieuw in gebreke stellen van verweerder dit niet anders.
4. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk zal verklaren.
5. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2022.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.