ECLI:NL:RBMNE:2022:2387
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering werknemer voor hogere beëindigingsvergoeding dan Sociaal Plan
Werknemer was sinds 2015 in dienst bij werkgever en werd vanwege een reorganisatie boventallig verklaard. De arbeidsovereenkomst eindigde met een vaststellingsovereenkomst waarbij een vergoeding werd betaald conform het Sociaal Plan, gebaseerd op een rekenfactor 1.
Werknemer stelde dat hem vooraf een hogere vergoeding op basis van factor 1,5 was toegezegd en vorderde het verschil. Hij voerde dat hij door onjuiste informatie van het Mobiliteitscentrum en dwaling tot instemming met de lagere vergoeding was gekomen.
De kantonrechter oordeelde dat de tekst van het Sociaal Plan leidend is en dat de uitlatingen van het Mobiliteitscentrum niet als een bindend aanbod konden worden gezien. Er was geen overeenkomst over een hogere vergoeding. Daarnaast had werknemer onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de fout schade had geleden of dat hij met een andere houding succes had gehad.
De vordering tot betaling van een hoger bedrag en het ongebruikte opleidingsbudget werd afgewezen. Ook was er geen sprake van een evident onbillijke situatie die afweek van het Sociaal Plan. Werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering werknemer tot hogere beëindigingsvergoeding dan Sociaal Plan wordt afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in proceskosten.