ECLI:NL:RBMNE:2022:2478

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
UTR - 22/1113
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 lid 3 WaboAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot schorsing omgevingsvergunning wegens geur- en geluidshinder nabij visrokerij

In deze zaak verzoekt een visrokerij om schorsing van een omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor de bouw van 49 appartementen en 6 twee-onder-één-kapwoningen nabij haar bedrijf. De visrokerij vreest hinder door geur en geluid, wat haar bedrijfsvoering belemmert. De voorzieningenrechter beoordeelt dat het onduidelijk is of de vergunning voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, mede doordat deskundigen van partijen het oneens zijn over geur- en geluidaspecten.

De rechtbank heeft daarom een heropeningsbeslissing genomen en een onafhankelijke deskundige benoemd om advies uit te brengen. Hierdoor is onzeker of de vergunning in stand zal blijven. De voorzieningenrechter weegt het belang van de visrokerij om niet geconfronteerd te worden met onomkeerbare gevolgen zwaarder dan het belang van het college en vergunninghouder om snel te kunnen bouwen.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de vergunning wordt geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de verzoekster. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.C. Moed op 24 juni 2022.

Uitkomst: De omgevingsvergunning wordt geschorst tot uitspraak op het beroep en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1113

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni in de zaak tussen

[verzoekster] , gevestigd in [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Blokhuis),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten(het college)
(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], gevestigd in [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. F.W. Drost ).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om de omgevingsvergunning die het college op 1 februari 2022 heeft verleend aan vergunninghouder voor het in strijd met het bestemmingsplan bouwen van 3 woongebouwen met in totaal 49 appartementen, waarvan één met een parkeerkelder, aan de [adres] t/m [adres] en 6 twee-onder-één-kapwoningen aan de [adres] t/m [adres] in [plaats] (de omgevingsvergunning) te schorsen.
Verzoekster is een visrokerij en zeevisgroothandel op circa 30 meter afstand van het plangebied. Binnen het bedrijf worden diverse soorten vis gerookt. Zij vreest dat de bewoners van de nieuw te bouwen woningen hinder zullen ondervinden van de geur die en het geluid dat het bedrijf emitteert en zij daardoor door het bouwplan van vergunninghouder wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Verzoekster heeft daarom beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
Omdat het college de omgevingsvergunning heeft voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, is de omgevingsvergunning vanwege het verzoek om een voorlopige voorziening niet in werking getreden [1] .
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
Het verzoek om voorlopige voorziening is tegelijk met het beroep – met zaaknummer
UTR 22/1114 – behandeld op de zitting van 10 juni 2022. Hierbij waren de volgende personen aanwezig.
Namens verzoekster: [A] , bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster, en de door verzoekster meegenomen deskundige ir. [B] van [bedrijf] .
Namens het college: de gemachtigde van het college die werd vergezeld door [C] , [D] en [E] .
Namens vergunninghouder: [F] , [G] , [H] en [I] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder en de door vergunninghouder meegenomen deskundige dr. [J] van [bedrijf] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de beroepszaak is tussen partijen in geschil of de omgevingsvergunning voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Kern van het geschil is de vraag of het college voldoende heeft onderbouwd dat in het plangebied, ondanks de geur die, en het geluid dat het bedrijf van verzoekster emitteert, ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen een goed woon- en leefklimaat zal zijn.
2. Omdat verzoekster bang is voor onomkeerbare gevolgen als vergunninghouder gebruik maakt van de omgevingsvergunning, heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen totdat op haar beroep is beslist.
3. Een voorlopige voorziening is een (tijdelijke) spoedmaatregel waardoor wordt
voorkomen dat de onomkeerbare gevolgen van een bestreden besluit zich voordoen, voordat in de beroepszaak is beslist of de omgevingsvergunning in stand kan blijven. De voorzieningenrechter kan daarbij haar verwachtingen over de uitkomst van de beroepszaak en het gewicht van de betrokken belangen betrekken.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitkomst van de beroepsprocedure is onzeker
5. De voorzieningenrechter betrekt in haar oordeel dat de rechtbank in de beroepszaak op dezelfde datum als waarop de voorzieningenrechter deze uitspraak doet een heropeningsbeslissing heeft genomen. In de heropeningsbeslissing overweegt de rechtbank dat de deskundigen van vergunninghouder en die van verzoekster het niet met elkaar eens zijn over de aspecten geur en geluid. Volgens de deskundigen van vergunninghouder is na realisatie van het bouwplan sprake van een acceptabel niveau van geurhinder en zal de geluidsbelasting in de nieuw te bouwen appartementen en woningen voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). De deskundigen van verzoekster bestrijden dit gemotiveerd. De rechtbank heeft de heropeningsbeslissing genomen, omdat het haar aan informatie en kennis ontbreekt om te kunnen beoordelen welke deskundigen gelijk hebben. Zij heeft daarom advies nodig van een onafhankelijke deskundige voordat zij een beslissing kan nemen. Om die reden heeft de rechtbank in de heropeningsbeslissing de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) benoemd als deskundige voor het uitbrengen van een advies.
6. Uit het voorgaande volgt dat het op dit moment nog onduidelijk is of de omgevingsvergunning wel of niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan hier pas een beslissing over nemen nadat de StAB heeft geadviseerd. Het is op dit moment dus onzeker of de omgevingsvergunning zoals het college die heeft verleend na het inhoudelijke oordeel van de rechtbank in stand zal blijven.
De belangen van verzoekster wegen zwaarder
7. Het belang van verzoekster is dat zij niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Als nu al wordt gestart met de bouw vreest verzoekster dat de woningen, ook als straks uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zullen blijven staan, met alle gevolgen voor verzoekster van dien.
8. Het college en vergunninghouder hebben er belang bij dat de aannemer op korte termijn kan beginnen met bouwen. Zij wijzen er op dat de woningnood – net als in de rest van Nederland – in [plaats] groot is en dat dus het belang om snel woningen te kunnen bouwen groot is. Dit blijkt ook uit de grote belangstelling vanuit de kopers op de woningmarkt voor deze woningen. Op dit moment stijgen bovendien de bouwkosten. Als vergunninghouder moet wachten met bouwen totdat de omgevingsvergunning onherroepelijk is, zouden de bouwkosten inmiddels zo hoog kunnen zijn dat vergunninghouder zich genoodzaakt ziet om geen gebruik te maken van de omgevingsvergunning.
9. De voorzieningenrechter heeft deze belangen afgewogen en oordeelt dat de belangen van verzoekster zwaarder wegen. Hoewel de gebouwde woningen in theorie weer kunnen worden afgebroken als zou blijken dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, begrijpt de rechtbank de vrees van verzoekster dat de woningen, als ze er eenmaal staan, niet meer zullen worden verwijderd. Nu het onzeker is of de omgevingsvergunning in stand kan blijven oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoekster dat zij niet wordt geconfronteerd met (mogelijk) onomkeerbare gevolgen doorslaggevend is. Een minder vergaande voorziening, zoals het niet in gebruik mogen nemen van gebouwde woningen, vindt de voorzieningenrechter daarom ook niet passend.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat de omgevingsvergunning wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. Dit betekent dat vergunninghouder tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep niet mag starten met de bouwwerkzaamheden.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 759,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,-. De rechtbank zal in de uitspraak op het beroep beoordelen of de kosten van de door verzoekster ingeschakelde deskundigen voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst de omgevingsvergunning tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
24 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, derde lid, van de Wabo.