ECLI:NL:RBMNE:2022:2521
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 14 juni 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €22.432,- tegen de veroordeelde. De veroordeelde was veroordeeld voor opzettelijk gebruik van vals geschrift en computervredebreuk gepleegd tussen december 2017 en februari 2019.
Tijdens de zitting bracht de verdediging naar voren dat de vordering tot ontneming afgewezen diende te worden. De rechtbank heeft het procesdossier onderzocht en vastgesteld dat de uitgekeerde bedragen niet op bankrekeningen staan die direct of indirect aan de verdachte zijn te koppelen. Ook kon niet worden vastgesteld dat de verdachte over deze bedragen heeft beschikt of wat de hoogte van het voordeel was.
Daarom concludeert de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestaat om de ontnemingsvordering toe te wijzen. De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af en spreekt dit uit in het vonnis van 28 juni 2022.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af wegens onvoldoende bewijs van voordeelverkrijging door verdachte.