ECLI:NL:RBMNE:2022:2646
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde en aanslag rioolheffing ongegrond verklaard
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020 en de opgelegde aanslag rioolheffing. Verweerder stelde de waarde vast op €324.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €290.000,- aanvoerde. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix die referentiewoningen in dezelfde plaats en wijk vergeleek.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Hoewel eiser enkele referentiewoningen ter discussie stelde vanwege verkoopdatum en kenmerken zoals dakterrassen, werden deze argumenten niet voldoende onderbouwd. Ook het beroep op afwijkende oppervlaktematen en de aanwezigheid van een brandgang op het perceel leidde niet tot een ander oordeel.
Ten aanzien van de rioolheffing wees de rechtbank het beroep af omdat de gemeenteraad een ruime beleidsvrijheid heeft bij het vaststellen van vrijstellingen en heffingen. Het onderscheid in de verordening tussen onroerende zaken bestemd voor eredienst en woningen is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag rioolheffing wordt ongegrond verklaard.