ECLI:NL:RBMNE:2022:2647
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde en rioolheffing woning in gemeente niet te hoog vastgesteld
Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn appartement per 1 januari 2020, die door de gemeente is vastgesteld op €170.000,- en stelt een lagere waarde van €148.000,- voor. De gemeente heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen zijn meegenomen en een indexeringspercentage van 8,11% is toegepast.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, waarbij één referentiewoning buiten beschouwing is gelaten vanwege een te late verkoopdatum. Diverse beroepsgronden van eiser, zoals over de ligging, voorzieningen en KOUDV-factoren, worden verworpen omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd of door de gemeente adequaat zijn toegelicht.
Daarnaast betwist eiser de rioolheffing op grond van een kerkenvrijstelling in de gemeentelijke verordening, stellende dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de gemeente binnen haar beleidsvrijheid een objectvrijstelling mag toepassen en dat het onderscheid objectief en redelijk is, zodat de aanslag rioolheffing terecht is opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het vonnis is gewezen door rechter J.J. Catsburg op 14 juni 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag rioolheffing wordt ongegrond verklaard.