ECLI:NL:RBMNE:2022:2656
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning in Utrecht per 1 januari 2020 centraal. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op €356.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €281.000,- bepleitte. De rechtbank toetst of de waarde niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer, waarbij verweerder de bewijslast draagt.
Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde straat en omgeving, die qua bouwjaar en uitstraling voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat verweerder hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Diverse beroepsgronden van eiser, zoals het gebruik van een deel van het perceel als brandgang, onjuiste oppervlaktematen van referentiewoningen en onvoldoende rekening houden met gedateerde voorzieningen, worden verworpen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt buiten beschouwing gelaten vanwege schending van de goede procesorde. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde juist is en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €356.000,- wordt ongegrond verklaard.