ECLI:NL:RBMNE:2022:2658
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens voldoende onderbouwing waardebepaling
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1978 centraal, met een gebruiksoppervlakte van 111 m2 en een kavel van 185 m2. De heffingsambtenaar had de waarde per 1 januari 2020 vastgesteld op €346.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €325.000,- vorderde. De rechtbank toetst of de waarde in het economisch verkeer correct is vastgesteld.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier referentiewoningen uit dezelfde straat en omgeving werden vergeleken. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de waardeverhouding inzichtelijk is gemaakt. Eiser voerde onder meer aan dat er geen rekening was gehouden met een brandgang en dat de onderhoudstoestand en ligging onvoldoende waren toegelicht, maar deze punten werden door de rechtbank verworpen.
Ook de kritiek op het ontbreken van vaste correctiepercentages voor KOUDV-factoren werd afgewezen, omdat er in het belastingrecht sprake is van een vrije bewijsleer en geen verplichting tot het gebruik van een rekenmodel bestaat. De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar dat de oppervlaktematen van referentiewoningen juist zijn vastgesteld, ondanks verschillen in BAG-gegevens.
De rechtbank concludeert dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.