ECLI:NL:RBMNE:2022:2662

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
7 juli 2022
Zaaknummer
540042 / HA RK 22-126
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaard

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in twee bestuursrechtelijke zaken tegen de Sociale Verzekeringsbank. Zij stelden dat de rechter op de zitting een beslissing over de vrijstelling van het griffierecht had genomen zonder hen te horen en dat de rechter vanwege langdurige betrokkenheid bij hun zaken niet onpartijdig kon zijn.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van de criteria uit artikel 8:15 Awb Pro en concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor persoonlijke vooringenomenheid of het wekken van de schijn daarvan. Uit het proces-verbaal bleek dat de rechter het griffierecht wilde bespreken voordat de zaak inhoudelijk werd behandeld en dat verzoekers en de gemachtigde van de SVB nog gelegenheid kregen hun standpunten toe te lichten.

Daarnaast was verzoekers al op 29 maart 2022 bekend dat de rechter hun zaken zou behandelen, waardoor het wrakingsverzoek op 3 juni 2022 te laat werd ingediend. De wrakingskamer oordeelde daarom dat het verzoek ongegrond is en bepaalde dat de procedure in de bestuurszaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 540042 / HA RK 22-126
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 5 juli 2022
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
[verzoeker]
en
[verzoekster] ,
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: verzoekers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de zitting van 3 juni 2022 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek gericht tegen mr. G.P. Loman;
  • de e-mail van het secretariaat van de wrakingskamer van 7 juni 2022 met daarin het verzoek aan verzoekers om uiterlijk 9 juni 2022 de wrakingsgronden aan te leveren;
  • de brief van 9 juni 2022 van verzoekers met daarin de wrakingsgronden;
  • de brief van 10 juni 2022 van mr. P.C. van der Voorn, namens de Sociale Verzekeringsbank;
  • de brief van 12 juni 2022 van verzoekers met daarin aanvullende wrakingsgronden;
  • de schriftelijke reactie van mr. G.P. Loman van 17 juni 2022.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 21 juni 2022 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verzoekers verschenen. Mr. G.P. Loman is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. G.P. Loman als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaken met het zaaknummers UTR 21/5095 en UTR 22/1743 AOW. Verzoekers zijn in deze zaken eisers en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) is de verweerder. Deze zaken zouden eerst gelijktijdig worden behandeld met twee zaken van verzoekers over de Participatiewet (hierna: PW). Maar omdat de verweerder in die PW-zaken een andere instantie is dan de Svb, is voorafgaand aan de zitting van 3 juni 2022 besloten dat de zaken niet gelijktijdig maar achter elkaar behandeld zouden worden. Uiteindelijk zijn die PW-zaken niet doorgegaan omdat de verwerende instantie een uitstelverzoek had ingediend dat is toegewezen.
2.2.
Verzoekers hebben het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. De belangrijkste grondslag – zo hebben verzoekers op de zitting toegelicht – is dat de rechter op de zitting een beslissing heeft genomen over de vrijstelling van het griffierecht voordat l zij daarover gehoord waren. De tweede grond is dat de rechter al sinds 2014 betrokken is bij zaken van verzoekers en hij al hun beroepen ongegrond heeft verklaard. De rechter kan daarom niet objectief naar de huidige zaken kijken.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft hij uitgebreid uitleg gegeven over de gang van zaken voorafgaand aan de zitting. Verder vraagt de rechter verzoekers deels niet-ontvankelijk te verklaren in hun wrakingsverzoek. Het was verzoekers al langere tijd bekend dat hij de behandelend rechter zou zijn en zij hebben niet zodra deze feiten en omstandigheden bekend waren het wrakingsverzoek ingediend. De rechter stelt zich verder op het standpunt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Uit het proces-verbaal volgt dat hij op de zitting eerst het onderwerp over het griffierecht wilde bespreken voordat de zaak verder inhoudelijk behandeld zou worden.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 8:15 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter tegenover verzoekers is niet gesteld of gebleken. Onderzocht moet daarom worden of uit het optreden van de rechter blijkt dat hij vooringenomen is of dat hij die schijn heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval.
3.4.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de rechter op de zitting een beslissing heeft genomen over de vrijstelling van het griffierecht. In het proces-verbaal staat dat de rechter heeft opgemerkt dat verzoekers gelet op hun inkomen niet voldoen aan de criteria om vrijstelling van het griffierecht te krijgen. Nadat verzoeker zijn verbazing had uitgesproken over het feit dat het verzoek om vrijstelling van het griffierecht aan de orde werd gesteld, heeft de rechter gezegd : ‘
als het griffierecht niet wordt betaald en u krijgt geen vrijstelling dan kunnen we het ook niet hebben over de inhoud van de zaak’. Volgens verzoekers moeten deze opmerkingen van de rechter worden aangemerkt als een beslissing over het griffierecht waarbij het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast. Maar dat het hier ging om een beslissing van de rechter blijkt niet uit het proces-verbaal. Uit het proces-verbaal volgt namelijk dat de heer [verzoeker] en de gemachtigde van de Svb na die opmerkingen van de rechter nog de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten over de inhoudelijke zaken toe te lichten, en dat de rechter na die toelichting heeft gezegd: ‘
Wat mij betreft gaan we de zaken tegen de Svb vanmiddag behandelen. Dat betekent dat ik ook het griffierecht aan de orde moet stellen.’. Uit deze laatste mededeling blijkt volgens de wrakingskamer dat er nog geen sprake was van een beslissing van de rechter over het griffierecht, en dat hij dit punt juist nog wilde bespreken met verzoekers. Maar direct hierna heeft de heer [verzoeker] het wrakingsverzoek ingediend. Uit het verloop van de zitting voorafgaand aan het wrakingsverzoek kan gelet op het voorgaande geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
3.5.
Verder kan uit het feit dat de rechter al sinds 2014 zaken van verzoekers behandeld ook geen vooringenomenheid worden afgeleid. Bovendien geldt voor deze wrakingsgrond dat verzoekers op 29 maart 2022 op de hoogte waren dat de rechter hun zaken ging behandelen. Dat maakt dat zij de rechter wat betreft deze grond te laat hebben gewraakt. Zij hadden dit namelijk meteen moeten doen toen zij zagen dat de rechter hun zaak zou gaan behandelen, en niet pas op 3 juni 2022, ruim twee maanden later.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekers, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team Bestuursrecht, waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummers UTR 21/5095 en UTR 22/1743 AOW moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. A.M. Crouwel en mr. H.J. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.