AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen ongegrond verklaard
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep wegens het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het beroep te vroeg was ingediend, omdat de ingebrekestelling pas op 20 augustus 2021 schriftelijk was gedaan, terwijl opposant al op 26 augustus 2021 beroep had ingesteld.
Opposant stelde dat ook een mondelinge ingebrekestelling voldoende was en dat het college pas op 3 september 2021 een besluit had genomen, dat bovendien pas op 10 september 2021 werd geëxecuteerd. De rechtbank beperkte zich in dit verzet tot de toetsing van de procedurele vraag of de niet-ontvankelijkverklaring terecht was en of de uitspraak zonder zitting kon worden gedaan.
De rechtbank oordeelde dat de wet vereist dat een ingebrekestelling schriftelijk wordt gedaan (art. 6:12 AwbPro) en dat het college binnen twee weken na ontvangst van de schriftelijke ingebrekestelling een besluit had genomen. De stelling dat een besluit pas een besluit is als het wordt geëxecuteerd, werd verworpen omdat een besluit in werking treedt na bekendmaking (art. 3:41 AwbPro).
Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. Er zijn geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21 / 3630-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college).
In de uitspraak van 1 november 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Opposant is verschenen. Het college is niet verschenen (met bericht van verhindering). Na de behandeling heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Op 28 februari 2022 heeft eiser de rechtbank nog een e-mailbericht gestuurd. De rechtbank heeft eiser bericht hierin geen aanleiding te zien om het onderzoek te heropenen. Het e-mailbericht is daarom niet in de beoordeling betrokken.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 november 2021 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank had het beroepschrift van opposant op 26 augustus 2021 ontvangen. Aldus is opposant te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was namelijk nog niet voorbij toen opposant het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college, nadat zij de ingebrekestelling heeft ontvangen, alsnog binnen twee weken heeft beslist. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2021 niet juist. Opposant stelt dat hij het college ook voor de ingebrekestelling van 20 augustus 2021 heeft gemaand om een besluit te nemen. Dit heeft hij niet schriftelijk gedaan, maar via een telefoongesprek met een medewerker van het college. Opposant stelt dat niet enkel een schriftelijke ingebrekestelling moet worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Er moet niet alleen gekeken worden naar de formaliteiten, maar ook naar de feitelijke situatie. Ook is er inmiddels een besluit genomen op 3 september 2021. Opposant wenst dat er een inhoudelijke beoordeling komt over het handelen van het college. Tot slot stelt opposant dat een besluit pas een besluit is als dit ook wordt geëxecuteerd. Op 10 september 2021 heeft opposant pas zijn geld ontvangen.
4. De rechtbank is in verzet beperkt met wat zij kan toetsen. Zij kijkt alleen of de niet-ontvankelijkverklaring in de uitspraak van 1 november 2021 klopt en of die uitspraak zonder zitting kon worden gedaan. De rechtbank zal daarom gronden die zien op een inhoudelijke beoordeling van het beroep buiten beschouwing laten.
5. In de wet is bepaald dat een ingebrekestelling schriftelijk moet worden verstuurd aan een bestuursorgaan. Dit staat in artikel 6:12 tweedePro lid van de Awb. Een mondelinge mededeling dat er nog een besluit moet worden genomen is dus onvoldoende. Dit betekent dat opposant pas op 20 augustus 2021 het college in gebreke heeft gesteld. Zoals vermeld in de uitspraak van 1 november 2021 heeft het college een besluit op eisers bezwaar genomen op 30 augustus 2021. Dat is binnen twee weken na het ontvangst van de ingebrekestelling van 20 augustus 2021. Op grond van artikel 6:12 vanPro de Awb kon opposant dus geen beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Opposant stelt dat een besluit pas een besluit is als het ook ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank volgt deze stelling van opposant niet. Een besluit treedt namelijk in werking nadat het overeenkomstig artikel 3:41 vanPro de Awb bekend is gemaakt.
6. De rechtbank heeft het beroep van opposant terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2021 in stand blijft.
7. Er zijn door opposant geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier .De beslissing is uitgesproken op 11 maart 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.