ECLI:NL:RBMNE:2022:274

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2022
Publicatiedatum
28 januari 2022
Zaaknummer
UTR 21/4921
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet betalen griffierecht

Verzoekster heeft op 15 december 2021 een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend met betrekking tot een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst gekoppeld aan een WVG-overeenkomst. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.

De griffier heeft verzoekster meerdere malen verzocht het griffierecht te betalen binnen een gestelde termijn. Dit is niet tijdig gebeurd, ondanks dat verzoekster de griffierechtnota heeft ontvangen en geen geldige reden voor het verzuim heeft gegeven. Een verzoek om vrijstelling van betaling is eerder afgewezen.

Omdat het griffierecht niet is voldaan en geen verontschuldiging is gegeven, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt daardoor niet aan de orde. Tevens wijst de voorzieningenrechter het verzoek af om de zaak door te sturen naar de Hoge Raad, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4921

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 15 december 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In haar verzoek vraagt verzoekster de voorzieningenrechter om een spoedmaatregel te treffen die ziet op een vervangende woning, in verband met ‘het onrechtmatig beëindigen van de WVG overeenkomst gelinkt aan huurovereenkomst [adres] , [postcode] [plaats] ’. Aan de beëindiging van de huurovereenkomst ligt volgens verzoekster een brief van de gemeente Zeist van 24 maart 1999 ten grondslag. In die brief staat dat de gemeente een vergissing heeft gemaakt bij het registreren van de geslachtsnaam in de gemeentelijke basisadministratie, en dat deze vergissing dezelfde dag nog is hersteld.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 17 december 2021 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze aangetekende brief is op 13 januari 2022 onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Daarom heeft de rechtbank op 14 januari 2022 de griffierechtnota nogmaals per gewone postzending aan verzoekster toegezonden.
4. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim, terwijl uit de e-mail van verzoekster van 17 januari 2022 blijkt dat zij de griffierechtnota wel heeft ontvangen. Verder is het verzoek van verzoekster om te worden vrijgesteld van betaling van het griffierecht op 4 januari 2022 afgewezen. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De vraag van verzoekster of de bestuursrechter wel bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, kan pas worden beantwoord bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, komt de voorzieningenrechter daar niet aan toe.
5. De voorzieningenrechter merkt verder op dat hij geen reden ziet om het verzoek door te sturen aan de sectie straf PG Parket bij de Hoge Raad, zoals verzoekster heeft verzocht. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de voorzieningenrechter of de rechtbank daartoe gehouden is. Uit artikel 6:15 van Pro de Awb volgt dat bezwaar- of beroepschriften die zijn ingediend bij een onbevoegde bestuursrechter worden doorgezonden aan het bevoegde orgaan. Uit de brieven van verzoekster blijkt echter dat zij inmiddels wil dat haar verzoek wordt doorgezonden naar de Hoge Raad omdat zij meent dat verweerder een strafbaar feit heeft gepleegd. Als het verzoekster gaat om een strafbaar feit, is de bestuursrechter niet gehouden om het verzoek ter verdere behandelding door te zenden aan de Hoge Raad.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.P. Glerum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 20 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep of verzet open.