Eiser, werkzaam als docent C bij de politie sinds 2009, kreeg in 2020 een verbetertraject opgelegd vanwege vermeende tekortkomingen in zijn functioneren. Na afloop stelde verweerder een negatieve beoordeling vast over de periode februari tot november 2020, waarop eiser bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd was, met name op onderdelen als maatschappelijke oriëntatie, mondelinge presentatie en resultaatgerichtheid.
De rechtbank stelde vast dat onderdelen van de beoordeling niet als competenties van de functie konden worden aangemerkt en dat verweerder onvoldoende concrete feiten had aangedragen ter onderbouwing van de negatieve beoordeling. Ook waren voorbeelden die verweerder aanvoerde onvoldoende concreet en niet zwaarwegend genoeg om de beoordeling te dragen.
Gelet op deze tekortkomingen vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de negatieve beoordeling ongedaan wordt gemaakt. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 13 juli 2022, waarbij de griffier verhinderd was om te ondertekenen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.