ECLI:NL:RBMNE:2022:2759
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling correcte vaststelling dagloon nieuw WW-recht bij samenlopende uitkeringen
Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd per 5 januari 2021. Het UWV kende een nieuwe WW-uitkering toe met een dagloon van €79,17, gebaseerd op een referteperiode van 1 december 2019 tot 30 november 2020. Eiser betwistte dat er een nieuw WW-recht was ontstaan en stelde dat alleen het oude WW-recht met een hoger dagloon van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat eiser in de 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid 26 weken had gewerkt, waardoor een nieuw WW-recht is ontstaan. De berekening van het dagloon door het UWV werd niet betwist en was volgens de rechtbank correct volgens de wettelijke bepalingen.
Eiser voerde verder aan dat het dagloon verhoogd moest worden naar het oude dagloon van €125,15 of zelfs €150,60 op grond van een vaststellingsovereenkomst uit 2015. De rechtbank verwierp deze gronden omdat het oude WW-recht was geëindigd en het nieuwe WW-recht niet kan terugvallen op oudere daglonen.
Ook het beroep op het garantiedagloon faalde omdat het dagloon van het nieuwe WW-recht hoger was dan het vorige dagloon. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het dagloon door het UWV wordt ongegrond verklaard.