ECLI:NL:RBMNE:2022:2817

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2022
Publicatiedatum
15 juli 2022
Zaaknummer
UTR 19/1756 en UTR 19/3265
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking beroep in toeslagenzaak

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen inzake het kindgebonden budget en de huurtoeslag over meerdere jaren. Na behandeling van de beroepen en herziening van de besluiten door verweerder, trok verzoekster haar beroepen in met het verzoek om proceskostenvergoeding. Verweerder erkende de onrechtmatigheid van de primaire besluiten en stemde in met vergoeding van drie punten aan proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld kon worden op €2.277,-, gebaseerd op drie punten voor beroepsprocedures die als samenhangende zaken werden aangemerkt. Daarnaast werd verweerder opgedragen het reeds toegekende proceskostenbedrag voor de bezwaarprocedures te betalen en het betaalde griffierecht van €94,- te vergoeden.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 juli 2022 door rechter M.P. Glerum. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €2.277,- aan proceskosten en €94,- aan griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 19/1756 en UTR 19/3265
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Maachi),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

Procesverloop

In de besluiten van 20 juli 2017 (primaire besluiten I) heeft verweerder het kindgebonden budget en de huurtoeslag van verzoekster over de jaren 2012 tot en met 2015 definitief berekend.
In de besluiten van 31 december 2018 (primaire besluiten II) heeft verweerder het kindgebonden budget over de jaren 2016 en 2017 definitief berekend.
In het besluit van 17 april 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten I ongegrond verklaard.
In het besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten II ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. [1]
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2019 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Op 4 november 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropent en de beroepen aangehouden in afwachting van een hoger beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
De CRvB heeft op 23 februari 2021 uitspraak gedaan [2] en de ABRvS op 26 januari 2022 [3] .
Verzoekster heeft gereageerd op deze uitspraken en wat dit betekent voor de beroepsprocedures.
Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS op 1 maart 2022 de bestreden besluiten I en II herzien en het bezwaar gegrond verklaard.
Verzoekster heeft de beroepen gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2022 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Op de zitting heeft verzoekster de beroepen ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de door haar gemaakt proceskosten.
Verweerder heeft op de zitting meegedeeld dat hij bereid is om drie punten aan proceskosten te vergoeden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.277,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 94,- aan verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder is tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekster. Op de zitting heeft verweerder erkend dat de primaire besluiten onrechtmatig zijn. Vervolgens heeft verzoekster op de zitting de beroepen ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Verweerder heeft op de zitting meegedeeld dat hij bereid is om voor de beroepsprocedures drie punten aan proceskosten te vergoeden. Over de proceskosten van de bezwaarprocedures heeft verweerder erop gewezen dat hij hiervoor in het nieuwe besluit van 1 maart 2022 al één punt heeft toegekend.
3. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten toe. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.277,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 26 september 2019 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 juli 2022 met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Er wordt voor beide beroepsprocedures (dus met zaaknummers 19/1756 én 19/3265) één vergoeding toegekend, omdat deze worden aangemerkt als samenhangende zaken.
4. In het nieuwe besluit van 1 maart 2022 heeft verweerder al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Voor zover verweerder de toegekende vergoeding voor de bezwaarfase nog niet heeft betaald, wordt verweerder opgedragen dit alsnog te doen.
5. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 94,- moet vergoeden (€ 47,- per beroepsprocedure).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2022 door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Het beroep tegen het besluit van 17 april 2019 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 19/1756. Het beroep teen het besluit van 17 juli 2019 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 19/3265.