Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposante op 12 augustus 2021 ongegrond. Opposante stelde dat zij de aanslag later had ontvangen en dat het bezwaar daarom tijdig was ingediend. Tevens maakte zij bezwaar tegen de ambtshalve splitsing van de beroepen en stelde zij betalingsonmacht en overschrijding van de redelijke termijn voor immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de enkele stelling van opposante onvoldoende was om te twijfelen aan de datum van verzending van de aanslag. Opposante kon niet aantonen wanneer zij de aanslag daadwerkelijk had ontvangen en kon de door haar genoemde e-mail niet overleggen. De bezwaren tegen de splitsing van de beroepen en de betalingsonmacht waren niet relevant voor de beoordeling van de niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening.
Ten aanzien van de redelijke termijn overwoog de rechtbank dat de termijn van 24 maanden met vier maanden werd verlengd vanwege de coronapandemie. Gezien het tijdstip van ontvangst van het bezwaarschrift en de datum van uitspraak was er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen. Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak in stand bleef.