ECLI:NL:RBMNE:2022:2857

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2022
Publicatiedatum
18 juli 2022
Zaaknummer
21/1915-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen SVB-besluiten ongegrond verklaard

Opposante had bezwaar gemaakt tegen vier besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), maar deze bezwaren werden als niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden. De rechtbank had eerder zonder zitting geoordeeld dat opposante niet tijdig bezwaar had gemaakt en dat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren om dit te rechtvaardigen.

In het verzet stelde opposante dat zij door de ziekte van Lyme lange tijd niet in staat was haar administratie te regelen en daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. Tijdens de zitting lichtte zij toe dat zij pas vanaf oktober 2020 met hulp van een contactpersoon overzicht kreeg over haar administratie, maar dat het bezwaar pas op 27 januari 2021 werd ingediend.

De rechtbank oordeelde dat de wet en jurisprudentie streng zijn omtrent termijnen en dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaar niet eerder kon worden ingediend. Ook met de hulp vanaf oktober 2020 was het niet aannemelijk dat het bezwaar pas eind januari 2021 kon worden ingediend.

Daarom bleef de eerdere uitspraak van 4 oktober 2021 in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. De rechtbank merkte op dat er mogelijk een minnelijke regeling met de Belastingdienst bestaat en gaf partijen in overweging dit nader te onderzoeken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1915-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2022 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. J.A.M.B. Amting).

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 8 maart 2021 van de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
In de uitspraak van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
De zitting heeft online plaatsgevonden op 10 maart 2022. Opposante is verschenen, samen met haar gemachtigde en haar contactpersoon van SchuldHulpMaatje Soest, de heer
[A] .
De SVB is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 4 oktober 2021 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2021 in stand kan blijven. De rechtbank moet dus beoordelen of door de argumenten van opposante twijfel ontstaat over die eerdere uitkomst. Zo nee, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. De rechtbank heeft op 4 oktober 2021 beslist dat de SVB terecht het bezwaar van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat opposante te laat was met het instellen van bezwaar en zij daar geen goede reden voor had. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2021 niet juist omdat er onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. De rechtbank had hier meer onderzoek naar moeten doen. Opposante stelt dat zij voldoende duidelijk dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij door haar omstandigheden enorm is achter geraakt met haar administratie en daardoor niet in staat was om op tijd bezwaar te maken.
4. Op de zitting heeft opposante toegelicht dat zij door de ziekte van Lyme heel lang niet in staat is geweest om haar administratie te regelen en belastingaangifte te doen. De brieven van de SVB las zij wel, maar het drong niet tot haar door wat er in stond. Ze was aan het overleven. Pas in 2016 ging het iets minder slecht. Zij heeft toen hulp ingeschakeld en haar administratie enigszins op orde weten te brengen. In oktober 2020 is de heer [A] betrokken geraakt en vanaf toen heeft het enkele weken geduurd voordat er overzicht was. Opposante heeft verder verklaard dat het haar heel erg dwars zat dat het niet lukte om belastingaangifte te doen.
5. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het zo is gelopen, maar zij is het niet eens met opposante dat dit een goede reden is om te laat bezwaar te maken. Daarbij is van belang dat de wet en de rechtspraak heel streng zijn op dit gebied: opposante moet redelijkerwijs niet in verzuim zijn geweest met het te laat indienen van het bezwaarschrift [1] en zij zal aannemelijk moeten maken dat zij zo snel als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank vindt dat hier niet aan voldaan is.
6. Het gaat om vier besluiten van de SVB, waartegen opposante niet op tijd bezwaar heeft gemaakt: de besluiten van 3 september 2013, 5 september 2014, 18 juni 2020 en 17 juli 2020. De rechtbank wil best aannemen dat opposante vanwege haar persoonlijk omstandigheden niet in staat was om op tijd bezwaar te maken, maar dit verandert de uitkomst niet. In dat geval had opposante zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog bezwaar moeten maken tegen de besluiten. Uiteindelijk is pas op 27 januari 2021 een bezwaarschrift ingediend, maar opposante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het echt niet eerder kon. Ook als er van uit wordt gegaan dat opposante en de heer [A] vanaf oktober 2020 enige weken nodig hadden om het overzicht te krijgen, is daarmee nog niet aannemelijk dat pas 27 januari 2021 bezwaar kon worden gemaakt.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2021 in stand blijft.
8. De rechtbank merkt op dat in het dossier stukken zitten waaruit blijkt dat opposante met de Belastingdienst een minnelijke regeling heeft getroffen over de verschuldigde betalingen. Omdat de SVB niet is verschenen, kon op de zitting niet worden onderzocht of een minnelijke regeling ook in dit geval mogelijk zou zijn. De rechtbank geeft opposante en de SVB in overweging om alsnog te onderzoeken of dit mogelijk is.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

1.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.