Opposante had bezwaar gemaakt tegen vier besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), maar deze bezwaren werden als niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden. De rechtbank had eerder zonder zitting geoordeeld dat opposante niet tijdig bezwaar had gemaakt en dat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren om dit te rechtvaardigen.
In het verzet stelde opposante dat zij door de ziekte van Lyme lange tijd niet in staat was haar administratie te regelen en daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. Tijdens de zitting lichtte zij toe dat zij pas vanaf oktober 2020 met hulp van een contactpersoon overzicht kreeg over haar administratie, maar dat het bezwaar pas op 27 januari 2021 werd ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de wet en jurisprudentie streng zijn omtrent termijnen en dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaar niet eerder kon worden ingediend. Ook met de hulp vanaf oktober 2020 was het niet aannemelijk dat het bezwaar pas eind januari 2021 kon worden ingediend.
Daarom bleef de eerdere uitspraak van 4 oktober 2021 in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. De rechtbank merkte op dat er mogelijk een minnelijke regeling met de Belastingdienst bestaat en gaf partijen in overweging dit nader te onderzoeken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.