ECLI:NL:RBMNE:2022:2886

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
21/4342
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens griffierechtbetaling

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Opposante stelde dat zij het griffierecht wel tijdig had voldaan en onderbouwde dit met een bankafschrift en een bevestiging van het Dienstencentrum Rechtspraak.

De rechtbank heeft intern onderzoek verricht en vastgesteld dat het griffierecht inderdaad op 1 april 2022 is ontvangen, maar door een onverklaarbare vertraging pas na zeven dagen in het systeem zichtbaar werd. Hierdoor was de rechtbank aanvankelijk onterecht van mening dat het griffierecht niet betaald was.

De rechtbank verklaart het verzet gegrond en vernietigt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring. De zaak wordt nu inhoudelijk behandeld op een zitting, waarvan opposante nog bericht zal ontvangen. Over de proceskosten wordt nog geen beslissing genomen en dit zal in de einduitspraak worden beoordeeld.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4342-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2022 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. J. Visscher),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort van
17 september 2021.
In de uitspraak van 3 mei 2022 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante zijn is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 mei 2022 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 3 mei 2022 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 3 mei 2022 niet juist. Zij stelt daartoe dat zij het griffierecht wél heeft betaald, namelijk op 24 maart 2022. Opposante verwijst hierbij naar een afschrijving van haar bankafschrift op 24 maart 2022 om 16:32:38. Ook heeft opposante telefonisch van het Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) bergrepen dat de betaling diezelfde dag is ontvangen en ook richting de rechtbank als voldaan zou moeten worden gezien. Tot slot verzoekt opposante om toekenning van de gemaakte proceskosten.
4. De rechtbank volgt opposante in haar standpunt dat zij het griffierecht (tijdig) heeft voldaan. Uit intern onderzoek is inderdaad gebleken dat de rechtbank het griffierecht van
€ 49,- op 1 april 2022 heeft ontvangen. De rechtbank licht in dit verband toe dat het normaliter, na betaling van het griffierecht, één dag duurt voordat de betaling daadwerkelijk te zien is in het rechtbank systeem. In onderhavige zaak duurde het verwerken van de griffierechtbetaling in het rechtbanksysteem, om onverklaarbare reden, zeven dagen. Hierdoor was de rechtbank, tijdens het controleren van het griffierecht een aantal dagen na verloop van de termijn, in de veronderstelling dat het griffierecht niet betaald zou zijn.
5. Dit betekent dat opposante hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 3 mei 2022 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
6. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank op een zitting. Opposante krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposante gelijk zal geven met haar beroep. Dat moet nog beoordeeld worden.
7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2022
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.