Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
thans uit andere hoofde gedetineerd te [verblijfplaats] , locatie [locatie] ,
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 april 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, het dealen van harddrugs en het witwassen van geld in de periode van mei tot juni 2020 in diverse plaatsen in Nederland.
De officier van justitie achtte de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende bewijs voor deelname aan een gestructureerd samenwerkingsverband, het ontbreken van wetenschap van de handel in harddrugs en het ontbreken van kennis over de criminele herkomst van geld.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte betrokken was bij de handel in harddrugs of het witwassen van geld. Hoewel geldbedragen op de bankrekening van verdachte waren gestort en er contact was met medeverdachte via Whatsapp, kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat het geld verband hield met drugscriminaliteit.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van alle ten laste gelegde feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie, omdat deze feiten samenhingen met de vrijgesproken gedragingen.
De uitspraak werd gedaan door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, en mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. O. Böhmer, rechters.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij wist van de criminele herkomst van geld en deelnam aan drugshandel.