ECLI:NL:RBMNE:2022:2976

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2022
Publicatiedatum
25 juli 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2741
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen oude omgevingsvergunning wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een oude omgevingsvergunning voor aanpassing van een schuur. Tijdens de procedure is een nieuwe vergunning verleend voor een verbouwing van de boerderij tot twee wooneenheden, welke van rechtswege is verleend en in stand is gebleven na bezwaar.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verschillen tussen het oorspronkelijke bouwplan en het nieuwe bouwplan niet van ondergeschikte aard zijn, zodat het beroep niet automatisch ook tegen de nieuwe vergunning gericht is. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen de nieuwe vergunning en is niet verschenen bij de zitting.

Omdat de nieuwe vergunning inmiddels in uitvoering is genomen en de oude vergunning feitelijk niet meer kan worden uitgevoerd, concludeert de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen de oude vergunning. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de oude omgevingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: mr. E.T.E. Kemperman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning (de oude vergunning) verleend voor aanpassing van de constructie en het vervangen van de buitenmuur van de achterste schuur op het perceel [adres] in [woonplaats].
Bij besluit van 19 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 8 februari 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op de zitting is aan de orde gekomen dat de vergunninghouder zeer waarschijnlijk een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning (de nieuwe vergunning) zal indienen en verweerder daarna van plan is om de oude vergunning in te trekken. Met partijen is vervolgens afgesproken dat de rechtbank het onderzoek in deze zaak schorst en dat verweerder de rechtbank op de hoogte zal houden van de ontwikkelingen in deze zaak en de rechtbank zal informeren of de oude vergunning wordt ingetrokken.
De vergunninghouder heeft vervolgens op 19 maart 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouw van de boerderij tot twee wooneenheden, waarvan één met erker en op beide nieuwe dakkapellen, aan de [adres] in [woonplaats]. Deze nieuwe vergunning is van rechtswege verleend op 1 juni 2021. Bij besluit van 1 maart 2022 heeft verweerder eisers bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard en is de nieuwe vergunning in stand gebleven. Eiser heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het tweede onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2022. Eiser is, zonder berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door ingenieur [ingenieur].

Overwegingen

Het oordeel van de rechtbank
Is het beroep gericht tegen de nieuwe vergunning?
1. De rechtbank moet eerst vaststellen of eisers beroep van rechtswege ook is gericht tegen het nieuwe besluit van 1 juni 2021, op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als tijdens een beroepsprocedure over een omgevingsvergunning bouwen een (nieuwe) omgevingsvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan, is op dat wijzigingsbesluit artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, mits de betreffende wijziging van ondergeschikte aard is. De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, moet per concreet geval worden beantwoord. Daarbij moeten de wijzigingen van het bouwplan worden afgezet tegen het gehele bouwplan zoals oorspronkelijk is aangevraagd. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1]
2. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het verschil tussen beide bouwplannen vooral zit in de forse afwijking in de situering van de nok van het voorhuis. Met de nieuwe vergunning verspringen de nokken, net als in de feitelijke situatie van het bestaande pand, en dit stond eerst niet juist op de tekening. Daarnaast is er een opening gekomen in de zijgevel van het achterste huis en komen er twee dakkapellen bij. De kap van het voorhuis staat met de nieuwe vergunning ongeveer één meter naast de kap van de schuur. Als je deze situatie van bovenaf bekijkt, kan je een sprongetje zien in de gevel. Er is dus sprake van een verschil in de vorm van de kap. Daarnaast is de nok lager met de nieuwe vergunning en zitten er afwijkingen in de dakhelling.
3. Verweerder heeft verder uitgelegd dat hij niet heeft onderkend dat de eerdere vergunning niet in overeenstemming was met de feitelijke situatie en het bouwplan. De vergunninghouder had dus niet een goede aanvraag voor de oude omgevingsvergunning ingediend.
4. De rechtbank oordeelt in het licht hiervan dat de verschillen tussen beide bouwplannen zodanig zijn, dat er geen sprake is van een ondergeschikte wijziging. Dit betekent dat er geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen de nieuwe vergunning. Hierdoor heeft verweerder terecht het bezwaar van eiser tegen de nieuwe vergunning in behandeling genomen.
Heeft eiser nog procesbelang?
5. Verweerder heeft op 1 juni 2021 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen over de nieuwe vergunning. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser het eens is met de nieuwe vergunning.
6. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de oude vergunning. Eiser heeft na de beslissing van verweerder van 1 juni 2021 geen inhoudelijke reactie gegeven en is ook niet naar de zitting van de rechtbank van 13 juli 2022 gekomen.
7. De rechtbank stelt verder vast dat beide bouwplannen betrekking hebben op dezelfde locatie. Feitelijk gezien kunnen de vergunningen niet beide uitgevoerd worden. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat er begonnen is met het uitvoeren van de nieuwe verguning. Daaruit leidt de rechtbank af dat de uitvoering van de oude vergunning onmogelijk is. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de oude vergunning. De rechtbank zal de beroepsgronden tegen de oude vergunning dan ook niet behandelen. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1587, overweging 2.4.