ECLI:NL:RBMNE:2022:3017
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser ontving een WOZ-aanslag voor het belastingjaar 2021 met een waarde van €354.000 voor zijn woning in Utrecht, vastgesteld op de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €316.000 voor. Verweerder handhaafde de oorspronkelijke waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde straat.
De rechtbank beoordeelde de bruikbaarheid van de referentiewoningen en concludeerde dat twee van de drie referenties geschikt waren, ondanks dat sommige verkoopdata meer dan een jaar van de waardepeildatum aflagen. De taxatiematrix maakte de waardeverhouding inzichtelijk en verweerder maakte aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over het indexeringspercentage en onvoldoende rekening houden met gedateerde voorzieningen en de ligging aan een provinciale weg. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat eiser onvoldoende bewijs leverde en de negatieve invloeden reeds waren verdisconteerd in de referentiewoningen.
De rechtbank achtte de procedurele bezwaren tegen de indexering deels strijdig met de goede procesorde en ging inhoudelijk in op het enige toegestane punt, waarbij zij concludeerde dat de gehanteerde indexering weliswaar niet volledig inzichtelijk was, maar dit niet leidde tot twijfel over de juistheid van de WOZ-waarde.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.