Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen sloten drie aannemingsovereenkomsten voor een bouwproject, zonder opschortende voorwaarde. Na mededeling van eiseres dat goedkeuring voor inschakeling gedaagde ontbrak, beëindigde zij de opdrachten. Gedaagde legde conservatoire beslagen op wegens vordering betaling aanneemsommen.
Eiseres vorderde opheffing van het beslag wegens onterecht beslagbedrag, schending waarheidsplicht en het niet bestaan van overeenkomsten door opschortende voorwaarde. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen opschortende voorwaarde was overeengekomen en dat de overeenkomsten zijn geëindigd door opzegging conform artikel 7:764 BW Pro.
Hoewel gedaagde in eerste beslagrekest niet alle besparingen vermeldde, was dat geen reden tot opheffing. Wel werd vastgesteld dat het beslagbedrag ruim €100.000 hoger was dan nodig. Daarom werd het beslag gedeeltelijk opgeheven tot een bedrag van €261.412,88. Proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt gedeeltelijk opgeheven omdat het voor een te hoog bedrag is gelegd, met een maximum van €261.412,88.