Eiser, die sinds 2016 arbeidsongeschikt was verklaard en een WIA-uitkering ontving, werd per 30 juni 2021 door het UWV als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld, waardoor de uitkering werd stopgezet. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna een nieuwe beoordeling plaatsvond waarbij de arbeidsongeschiktheid op 10,09% werd vastgesteld. In de bezwaarprocedure vond echter geen fysiek spreekuurcontact plaats met een verzekeringsarts, maar slechts een telefonische hoorzitting.
De rechtbank oordeelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door af te zien van een fysiek medisch onderzoek in de bezwaarfase zonder voldoende motivering. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet in de bezwaarfase een volledige heroverweging plaatsvinden, waarbij een fysiek spreekuurcontact de regel is indien in de primaire fase geen fysiek onderzoek plaatsvond.
Omdat het UWV niet overtuigend heeft gemotiveerd waarom het afzag van een fysiek spreekuurcontact, en gezien de combinatie van fysieke en psychische klachten bij eiser, wordt het medisch onderzoek als onzorgvuldig beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het UWV wordt geadviseerd eiser uit te nodigen voor een fysiek spreekuur.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht. Het vonnis is gewezen door rechter S.C.A. van Kuijeren en is op 4 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken.