ECLI:NL:RBMNE:2022:3138
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een plaats, gesteld op €439.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van €330.000,-. Verweerder heeft de waarde bepaald met behulp van de vergelijkingsmethode en een taxatiematrix met vier referentieobjecten.
De rechtbank beoordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting geven voldoende inzicht in de waardebepaling en de correcties voor verschillen met referentieobjecten. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de KOUDV-factoren en de indexering van verkoopcijfers, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder niet verplicht is deze cijfermatige onderbouwing te verstrekken.
Verder stelt eiser dat de woning in matige staat verkeert met onder meer scheurvorming, lekkages en slechte isolatie. De rechtbank volgt echter de uitleg van verweerder dat deze gebreken inherent zijn aan het bouwjaar en reeds zijn verdisconteerd in de verkoopcijfers van vergelijkbare woningen. Het verschil in prijs per kubieke meter tussen de woning en referentieobjecten wordt verklaard door verschillen in onderhoudstoestand.
De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden niet slagen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €439.000,- wordt ongegrond verklaard.