ECLI:NL:RBMNE:2022:3140
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €293.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser vordert een lagere waarde van €261.000,- en voert diverse bezwaren aan tegen de gehanteerde taxatiemethode en referentieobjecten.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de marktwaarde in het economisch verkeer betreft, bepaald via de vergelijkingsmethode waarbij rekening wordt gehouden met verschillen tussen de woning en referentieobjecten. Verweerder heeft met een taxatiematrix en bouwtekeningen aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, waarbij onder meer correcties zijn toegepast op dakopbouw en woonoppervlakte. De rechtbank volgt de uitleg van verweerder en acht de afwijkingen minimaal en niet waardeverlagend.
Eiser voert ook aan dat de m²-prijs van een praktijkruimte onjuist is aangepast en beroept zich op het Blackbox-arrest vanwege het ontbreken van bouwtekeningen. De rechtbank oordeelt dat bouwtekeningen openbaar zijn en eiser deze zelf had kunnen inzien. Verder is onvoldoende onderbouwd dat het voorzieningenniveau van de woning lager is dan gehanteerd. Tenslotte is het gebruik van referentieobjecten door verweerder in beroep niet onrechtmatig.
De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden niet slagen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €293.000,- wordt ongegrond verklaard.