ECLI:NL:RBMNE:2022:3185

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2022
Publicatiedatum
8 augustus 2022
Zaaknummer
UTR 22/1132
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 GemeentewetArt. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onbevoegdheid bij uitspraak op bezwaar parkeerbelasting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het parkeren van zijn voertuig op 6 oktober 2020 in de gemeente Woerden. Eerder was een vergelijkbaar beroep gegrond verklaard wegens onbevoegdheid van de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft daarop een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan op 20 januari 2022.

De rechtbank stelt vast dat ook deze nieuwe uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen, omdat deze niet door een daartoe aangewezen heffingsambtenaar is gedaan maar door een onbekende medewerker van de coöperatie, zonder naam of handtekening. Het interne mandaatregister van de coöperatie voldoet niet aan de vereiste digitale publicatie in een officieel overheidsblad en het is onduidelijk of de heffings- en vorderingsambtenaar van de coöperatie daadwerkelijk als heffingsambtenaar is aangewezen.

Daarom vernietigt de rechtbank de bestreden uitspraak op bezwaar en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de bevoegdheid correct moet zijn toegekend. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten van €759,- aan eiser wegens het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 juli 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens onbevoegdheid; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Woerden, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 20 januari 2022.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De naheffingsaanslag parkeerbelastingen is aan eiser opgelegd in verband met het parkeren van zijn voertuig met kenteken [kenteken] op een parkeerplaats aan de Wagenstraat in de gemeente Woerden op 6 oktober 2020.
3. Eiser is al eerder tegen de uitspraak op bezwaar waarbij de naheffingsaanslag is gehandhaafd, in beroep gegaan (UTR 21/1800). Dat beroep is door de rechtbank gegrond verklaard, omdat de uitspraak onbevoegd was gedaan. Verweerder heeft daarop een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan op 20 januari 2022. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen deze tweede uitspraak op bezwaar.
3. Op grond van artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd om gemeentelijke belastingen, zoals parkeerbelasting, te heffen. Het college van burgemeester en wethouders wijst de heffingsambtenaar aan.
4. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar is gedaan namens de heffingsambtenaar heffings- en vorderingsambtenaar van [coöperatie], door een medewerker team Parkeerrechten van [coöperatie] en dat er geen naam van de medewerker of handtekening onder de uitspraak op bezwaar staat. De heffings- en vorderingsambtenaar van [coöperatie] heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat het intern mandaatregister inmiddels is gepubliceerd op www.overheid.nl en op www.parkeerservice.nl.
5. De rechtbank is van oordeel dat ook deze uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen.
Het besluit is genomen namens de heffings- en vorderingsambtenaar van [coöperatie] door een onbekende medewerker. Verweerder heeft een intern mandaatregister [coöperatie] overgelegd, waarin de bestuurder, tevens directeur van Parkeerservice de medewerkers van de afdeling parkeerrechten mandateert tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften gericht op de heffing van parkeerbelasting.
6. Uit de overgelegde stukken blijkt (nog steeds) niet dat de heffings- en vorderingsambtenaar van [coöperatie] als heffingsambtenaar is aangewezen.
7. Overigens kleeft ook aan het overgelegde interne mandaatregister nog steeds een gebrek. De publicatie op de eigen website en de verwijzing naar de overheidswebsite, waarop alleen een link naar de eigen website is te vinden, is onvoldoende. Digitale publicatie moet gebeuren in een door de overheid uitgegeven publicatieblad. De rechtbank kan nog steeds niet vaststellen dat dit is gebeurd.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb) en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.
9. Verweerder moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. Het nieuw te nemen besluit is in ieder geval bevoegd genomen als het door een door het college van burgemeester en wethouders als heffingsambtenaar voor parkeerbelastingen aangewezen persoon is genomen. De rechtbank geeft verweerder een termijn van zes weken om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
10. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb). Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 759,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 759,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2022.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.