ECLI:NL:RBMNE:2022:3235

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 augustus 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
UTR 22/1608
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 7:15 Awb lid 2Art. 7 lid 3 AwirArt. 8 Awir lid 1 en 2Art. 20 Awir lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op proceskostenvergoeding na huurtoeslag bezwaarprocedure

De zaak betreft een geschil over het al dan niet toekennen van proceskostenvergoeding aan eiser voor de bezwaarprocedure tegen de vaststelling van de huurtoeslag 2019. Verweerder, de Belastingdienst/Toeslagen, had aanvankelijk de huurtoeslag op nul vastgesteld naar aanleiding van inkomensgegevens uit de Basisregistratie inkomen (Bri).

Eiser ging in bezwaar, waarna het bezwaar gegrond werd verklaard en de huurtoeslag werd vastgesteld op € 3.431,-. Eiser stelde beroep in omdat hem geen proceskostenvergoeding was toegekend. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van herroeping van het primaire besluit door een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid.

De rechtbank benadrukte het onderscheid tussen de inspecteur die inkomensgegevens vaststelt en de Belastingdienst/Toeslagen die toeslagen berekent op basis van die gegevens. Het bezwaar tegen het inkomensgegeven zelf was terecht doorgestuurd naar de inspecteur, die het voordeel uit sparen en beleggen binnenlandse periode op € 0,- stelde. Dit leidde tot de herberekening van de toeslag.

Omdat de inkomensgegevens niet onjuist of tegenstrijdig waren en verweerder correct handelde, was er geen grond voor proceskostenvergoeding. De rechtbank wees het beroep af en wees partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1608
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.W.M. Marée),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder aan eiser terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten.
Bij besluit van 8 januari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve huurtoeslag voor 2019 vastgesteld op € 0,-, naar aanleiding van een melding van de Basisregistratie inkomen (Bri) van 31 maart 2021. Dit heeft geleid tot een terugvordering van het te veel ontvangen bedrag aan huurtoeslag. Eiser is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Bij besluit van 24 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de definitieve berekening van de huurtoeslag voor 2019 aangepast en vastgesteld op € 3.431,-. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, omdat aan hem geen proceskostenvergoeding is toegekend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft daarvoor de volgende motivering
2. De toepasselijke regels zijn opgenomen in:
  • Artikelen 6:15 en 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
  • Artikelen 7, derde lid, 8, eerste en tweede lid, en 20, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
  • Artikelen 21, tweede lid, 21b, en 21g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaarprocedure, omdat er geen sprake is van het herroepen van het primaire besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Als uitgangspunt geldt dat verweerder (Belastingdienst/Toeslagen) een ander bestuursorgaan is dan de inspecteur voor de inkomstenbelasting. De inspecteur stelt inkomensgegevens vast en is belast met de uitvoering van de Bri. Verweerder stelt de hoogte van het recht op toeslag vast aan de hand van de door de inspecteur vastgestelde inkomensgegevens die ten tijde van het gebruik zijn opgenomen in de Bri.
4. Eiser wordt niet gevolgd in het standpunt dat verweerder op basis van de beschikking van de inspecteur van 12 november 2021 – dat ziet op het Niet in Nederland belastbaar inkomen (Ninbi) van eiser – had moeten zien dat eiser geen voordeel heeft uit sparen en beleggen. Het besluit geeft namelijk geen aanleiding om te veronderstellen dat de inspecteur uit is gegaan van geen voordeel uit sparen en beleggen. Eiser heeft op 13 april 2021 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2019 ontvangen waaruit volgt dat sprake is van een verzamelinkomen van € 975,- dat bestaat uit € 965,- inkomen uit werk en woning en € 10,- voordeel uit sparen en beleggen binnenlandse periode. Tegen dat besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld. In het Ninbi-besluit wordt ook verwezen naar het in Nederland belastbaar inkomen van € 975,-, dus inclusief het voordeel uit sparen en beleggen. Daarnaast staat onderaan het besluit aangegeven dat het verzamelinkomen in de aanslag inkomstenbelasting wordt gebruikt om het in Nederland belastbaar inkomen vast te stellen. Het in het besluit van 12 november 2021 opgenomen voordeel uit sparen en beleggen van € 0,- is daarom gebaseerd op het wereldvermogen van eiser en niet op zijn vermogen in Nederland. De bij verweerder beschikbare inkomensgegevens waren dan ook niet tegenstrijdig of onmiskenbaar onjuist en reeds daarom was er geen reden voor nader onderzoek.
5. Verder heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser, voor zover het was gericht tegen het inkomensgegeven zelf, terecht doorgestuurd naar de inspecteur. Die heeft het voordeel uit sparen en beleggen binnenlandse periode vastgesteld op € 0,-. Dit was de grondslag voor de herberekening in bezwaar. Aldus is aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen. Van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is onder deze omstandigheden geen sprake.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.