De zaak betreft een geschil over het al dan niet toekennen van proceskostenvergoeding aan eiser voor de bezwaarprocedure tegen de vaststelling van de huurtoeslag 2019. Verweerder, de Belastingdienst/Toeslagen, had aanvankelijk de huurtoeslag op nul vastgesteld naar aanleiding van inkomensgegevens uit de Basisregistratie inkomen (Bri).
Eiser ging in bezwaar, waarna het bezwaar gegrond werd verklaard en de huurtoeslag werd vastgesteld op € 3.431,-. Eiser stelde beroep in omdat hem geen proceskostenvergoeding was toegekend. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van herroeping van het primaire besluit door een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid.
De rechtbank benadrukte het onderscheid tussen de inspecteur die inkomensgegevens vaststelt en de Belastingdienst/Toeslagen die toeslagen berekent op basis van die gegevens. Het bezwaar tegen het inkomensgegeven zelf was terecht doorgestuurd naar de inspecteur, die het voordeel uit sparen en beleggen binnenlandse periode op € 0,- stelde. Dit leidde tot de herberekening van de toeslag.
Omdat de inkomensgegevens niet onjuist of tegenstrijdig waren en verweerder correct handelde, was er geen grond voor proceskostenvergoeding. De rechtbank wees het beroep af en wees partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.