ECLI:NL:RBMNE:2022:3312

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
21/3115
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden tegen gewijzigde uitspraak op bezwaar

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslagbiljet en vervolgens beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Nadat verweerder een gewijzigde uitspraak op bezwaar had genomen, verzocht de rechtbank eiser om te reageren op deze wijziging. Eiser heeft niet gereageerd, waardoor de rechtbank aannam dat hij het niet eens was met de gewijzigde uitspraak.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de gewijzigde uitspraak op bezwaar, ondanks het verzoek daartoe. Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een beroepschrift de gronden bevatten waarom men het niet eens is met het besluit. Zonder deze gronden kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Omdat eiser geen gelijk krijgt, worden ook geen proceskosten toegekend. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 juli 2022 door rechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden tegen de gewijzigde uitspraak op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht,verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 31 mei 2021 bij verweerder bezwaar ingediend tegen het aanslagbiljet van
31 maart 2021.
Verweerder heeft op 13 juli 2021 een uitspraak op bezwaar genomen.
Eiser heeft op 22 juli 2021 beroep ingediend bij de rechtbank.
Op 12 oktober 2021 heeft verweerder naar aanleiding van het beroepsschrift van eiser een gewijzigde uitspraak op bezwaar genomen.
Op 4 november 2021 heeft de rechtbank eiser verzocht om het beroep in te trekken indien hij het eens is met de gewijzigde uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2021 of het beroep voort te zetten indien hij het hiermee niet eens is. Eiser heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

1. Omdat eiser niet heeft gereageerd op de brief van de rechtbank van 4 november 2021 gaat de rechtbank ervan uit dat eiser het niet eens is met de gewijzigde uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2021 en deze uitspraak dus niet geheel tegemoet komt aan het beroep van eiser. Gelet hierop wordt het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 13 juli 2021 mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2021.
2. Omdat er inmiddels een nieuwe uitspraak op bezwaar is, heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 13 juli 2021. Het beroep tegen die uitspraak op bezwaar moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is enkel nog belang bij de beoordeling van het besluit van 12 oktober 2021.
3. Iemand die in beroep gaat moet zeggen waarom hij het niet eens is met het besluit en dit ook uitleggen. Dat worden ‘beroepsgronden’ genoemd. Dit staat in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser, ondanks daarom te zijn verzocht door de rechtbank op 4 november 2021, geen gronden heeft aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2021. Dit betekent dat onduidelijk is waarom eiser het niet eens is met gewijzigde uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2021.
5. Zonder beroepsgronden kan het beroep niet inhoudelijk worden behandeld. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb Pro).
6. Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 13 juli 2021 en
12 oktober 2021 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.