AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen uitspraak inzake geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb ongegrond verklaard
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 11 april 2022, waarin het beroep van opposant ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde destijds dat de brief van 2 december 2020 geen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormde, waardoor bezwaar en beroep niet mogelijk waren.
Opposant stelde dat de weigering van de gemeente Amersfoort om een andere klantmanager aan te bieden wel een besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaan, en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De rechtbank heeft deze stellingen onderzocht, maar concludeerde dat de brief geen besluit is en dat de zaak kennelijk ongegrond is, waardoor de procedure zonder zitting kon worden afgedaan conform artikel 8:54 AwbPro.
Daarnaast legde de rechtbank uit dat het verschil tussen de behandeling van het bezwaar en de klacht niet in strijd is met de wet of de goede procesorde. Het verzet van opposant is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. De gevraagde reiskostenvergoeding wordt niet toegekend.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1823-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2022 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (verweerder) van
9 maart 2021. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 april 2022 het beroep ongegrond verklaard, omdat zij vindt dat de brief van 2 december 2020 geen besluit is waar opposant bezwaar tegen kon maken. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In de uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2022. Opposant is verschenen, maar verweerder niet (met bericht van verhindering).
Overwegingen
1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2022 niet juist was.
2. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2022 niet juist omdat de rechtbank van oordeel is dat de brief van 2 december 2020 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Bij de beslissing op deze aanvraag heeft verweerder de aanvraag van opposant niet buiten behandeling gesteld voor de reden dat deze kennelijk ongegrond en of kennelijk niet-ontvankelijk was. Verweerder heeft, ondanks de herhaalde aanvragen van opposant, geweigerd om een ander klantmanager (ondersteuning) aan te bieden. De weigering is in dit geval een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat. Verder hebben verweerder en de rechtbank opposant niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Opposant is van mening dat het bezwaar- beroepsprocedure niet volgens de wet (artikel 2:4 vanPro de Awb) en niet op basis van de goede procesorde zijn verlopen. Ter zitting heeft opposant aangevoerd dat hij niet begrijpt waarom zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en zijn klacht wél ontvankelijk is verklaard en in behandeling is genomen.
3. De rechtbank volgt opposant hierin niet. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van
11 april 2022 onder r.o. 5, 6 en 7 uitgelegd dat de brief van 2 december 2022 geen besluit is in zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. De acties die opposant tegen die brief heeft ingesteld in dat oordeel geen verandering brengen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de zaak kennelijk ongegrond is en heeft de zaak daarom buiten zitting af kunnen doen met toepassing van 8:54 van de Awb.
4. Verder wilt de rechtbank nog kort reageren op de vraag van opposant waarom zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, maar zijn klacht wel in behandeling is genomen door verweerder. De rechtbank merkt op dat een klacht een ander soort procedure is en er geen rechtsregel is geschonden.
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
11 april 2022 in stand blijft. Hieruit vloeit voort dat de reiskosten waar opposant om heeft verzocht geen aanleiding bestaat.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2022.