ECLI:NL:RBMNE:2022:3334
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een vrijstaande woning in [woonplaats], vastgesteld op €1.237.000 per 1 januari 2020. Eiser vordert een lagere waarde van €1.093.000, subsidiair €1.200.000. Verweerder onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in de buurt.
De rechtbank overweegt dat verweerder de waarde aannemelijk heeft gemaakt door middel van de taxatiematrix en toelichting, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, bouwjaar en staat van onderhoud. Eiser voert diverse beroepsgronden aan, waaronder het niet verstrekken van alle relevante stukken, onjuiste inhoudsberekening, onjuiste indexering en onjuiste waardering van bouwkundige kwaliteit en voorzieningen van referentiewoningen.
De rechtbank verwerpt alle beroepsgronden. Verweerder heeft voldaan aan de informatieplicht en de stukken zijn voldoende inzichtelijk. De gebruiksoppervlakte is juist gehanteerd, de indexering is specifiek en passend voor vrijstaande woningen in de gemeente, en de waarderingen van bouwkundige kwaliteit en voorzieningen zijn adequaat onderbouwd. De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 7 juli 2022 te Utrecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.237.000 wordt ongegrond verklaard.