ECLI:NL:RBMNE:2022:3364
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen opiumwetdelict
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 augustus 2022 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet, gepleegd op 22 april 2022.
De officier van justitie en de verdediging voerden aan dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van een voordeelsberekening. De rechtbank oordeelde echter dat dit ontbreken niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar wel gevolgen heeft voor de beoordeling van het voordeel aan de hand van andere bewijsmiddelen.
Op basis van verklaringen uit het dossier, waaronder die van een afnemer en de veroordeelde zelf, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €100,-, gebaseerd op twee deals van elk €50,-. Omdat de veroordeelde verklaarde de cocaïne van een ander te hebben gekregen, werden geen kosten in mindering gebracht. Het eerder verbeurd verklaarde bedrag van €100,- werd in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting op €0,- werd vastgesteld.
De rechtbank wees de ontnemingsvordering toe en legde de betalingsverplichting van €0,- op, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €100,- met een betalingsverplichting van €0,- vanwege verbeurdverklaring.