ECLI:NL:RBMNE:2022:3368

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
22/2536, 21/2560 en 21/2661
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArtikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van oktober 2020. Na een eerste beslissing van het UWV dat de bezwaren niet-ontvankelijk waren, ging verzoekster in beroep bij de rechtbank. Vervolgens heeft het UWV in maart 2022 nieuwe besluiten genomen waarin de eerdere besluiten werden gewijzigd. Hierdoor heeft verzoekster haar beroepen ingetrokken en een vergoeding voor proceskosten gevraagd.

De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding zonder zitting beoordeeld, omdat zij voldoende informatie had. Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van samenhangende zaken en stelt de proceskosten vast op €759, inclusief het griffierecht voor alle drie de zaken.

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan op 10 mei 2022 door rechter R.C. Stijnen, met griffier K.F.K. Hoogbruin aanwezig.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld tot betaling van €759 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2536, 21/2560 en 21/2661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] ,te [woonplaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. F. Scholten van Aschat-Zeldenrust),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaren ingediend tegens verweerders besluiten van 14 oktober 2020 en 15 oktober 2020. Verweerder heeft op 29 april 2021 besluiten op deze bezwaren genomen en beslist dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan.
Op 25 maart 2022 heeft verweerder nieuwe besluiten genomen waarin hij de besluiten van
29 april 2021 heeft gewijzigd. Verzoekster heeft daarna de beroepen ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft op 14 april 2022 gereageerd op dit verzoek. In zijn reactie van 14 april 2022 heeft verweerder meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep en is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
5. Verweerder moet ook het griffierecht in alle drie de zaken aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 759,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.