Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van oktober 2020. Na een eerste beslissing van het UWV dat de bezwaren niet-ontvankelijk waren, ging verzoekster in beroep bij de rechtbank. Vervolgens heeft het UWV in maart 2022 nieuwe besluiten genomen waarin de eerdere besluiten werden gewijzigd. Hierdoor heeft verzoekster haar beroepen ingetrokken en een vergoeding voor proceskosten gevraagd.
De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding zonder zitting beoordeeld, omdat zij voldoende informatie had. Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van samenhangende zaken en stelt de proceskosten vast op €759, inclusief het griffierecht voor alle drie de zaken.
De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan op 10 mei 2022 door rechter R.C. Stijnen, met griffier K.F.K. Hoogbruin aanwezig.