Eiseres diende op 25 maart 2022 een verzoek om herbeoordeling in bij het UWV, dat dit verzoek niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken behandelde. Na het uitblijven van een beslissing stelde eiseres het UWV in gebreke op 23 mei 2022 en startte zij op 9 juni 2022 een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat eiseres de ingebrekestelling correct had gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV alsnog binnen vier weken een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van maximaal €1.442,- vastgesteld over de reeds verstreken periode en een dwangsom van €100,- per dag opgelegd voor eventuele verdere overschrijding, met een maximum van €15.000,-.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van €379,50 aan proceskosten en het griffierecht aan eiseres. De rechtbank motiveerde haar beslissing onder meer met verwijzing naar relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.