ECLI:NL:RBMNE:2022:3400

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
24 augustus 2022
Zaaknummer
UTR 22/2044
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:12 WaboAfdeling 3.4 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw zorgwoningen

Op 10 maart 2022 is aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementsgebouw met 25 zorgwoningen in Zeist. Verzoekers, wonend in de nabijheid, zijn het niet eens met deze vergunning en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter voorkoming van onomkeerbare bouwactiviteiten vóór de uitspraak op het beroep, hebben zij een voorlopige voorziening gevraagd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting en concludeert dat er geen spoedeisend belang is. De vergunninghouder heeft namelijk schriftelijk toegezegd te zullen wachten met bouwen tot na de uitspraak op het beroep, waarvan de mondelinge behandeling is vervroegd naar 22 augustus 2022. De voorzieningenrechter acht deze toezegging betrouwbaar en ziet geen reden om aan te nemen dat de vergunninghouder deze niet zal nakomen.

Daarnaast is er op basis van een voorlopige beoordeling geen aanleiding om ernstig aan de rechtmatigheid van de vergunning te twijfelen. De beroepsgronden en dossierstukken geven hiervoor geen aanleiding. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het betaalde griffierecht terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2044

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2022 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder.

als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde belanghebbende], gevestigd in [vestigingsplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. G. Scholten)

Inleiding

1.1
Aan vergunninghouder is op 10 maart 2022 een omgevingsvergunning verleend om een appartementsgebouw te bouwen met 25 zorgwoningen aan de [adres] in Zeist, waarvan de adressering ‘ [adressen] ’ wordt. Verzoekers wonen dichtbij en zijn het niet eens met de komst van het complex.
1.2
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend onder toepassing van zijn bevoegdheid uit artikel 2:12, eerste lid, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het besluit is voorbereid met de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen zo’n besluit kan geen bezwaar worden gemaakt bij de gemeente, maar alleen rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank.
1.3
In een informatiebrief van 7 februari 2022 heeft het college echter opgenomen dat er bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit. Ook heeft het college in deze brief een onjuiste besluitdatum van 1 februari 2022 genoemd. Dit heeft tot gevolg gehad dat verzoekers bij het college in bezwaar zijn gegaan tegen een besluit van 1 februari 2022. Het college heeft het bezwaarschrift van verzoekers ter behandeling doorgestuurd naar de rechtbank als rechtstreeks beroep tegen de omgevingsvergunning van 10 maart 2022. De rechtbank heeft het beroep in behandeling genomen en geregistreerd onder zaaknummer UTR 22/1448. Verzoekers hebben hun beroep op 19 april 2022 aangevuld met nadere beroepsgronden.
1.4
Om te voorkomen dat vergunninghouder al start met bouwen voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek in behandeling genomen en geregistreerd onder zaaknummer UTR 22/2044.
1.5
Dit is de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Beoordeling van het verzoek

2. De voorzieningenrechter doet uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening zonder het verzoek op een zitting te behandelen. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond, afgewezen. Waarom dat zo is, legt de voorzieningenrechter hierna uit.
3. Een voorlopige voorziening is bedoeld om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter treft dus alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat gelet op de betrokken belangen, vereist. Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
4. Vergunninghouder heeft bij brief van 9 juni 2022 verklaard dat hij bereid is om de uitspraak in de beroepsprocedure af te wachten als de mondelinge behandeling van het beroep op de zitting van 23 augustus 2022 om 09:30 uur plaatsvindt. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het beroep vervolgens vervroegd naar 22 augustus 2022 om 10:30 uur. In het licht van de toezegging van vergunninghouder heeft de voorzieningenrechter verzoekers gevraagd wat het spoedeisende belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
5. Verzoeker hebben erop gewezen dat de zittingsdatum van 23 augustus 2022 waar de vergunninghouder zijn toezegging aan heeft gekoppeld, niet overeenkomt met de dag waarop het beroep daadwerkelijk op een zitting wordt behandeld, namelijk 22 augustus 2022. Verzoekers kunnen er niet op vertrouwen dat vergunninghouder zijn toezegging nakomt. De toezegging moet worden aangepast. Tot dan hebben verzoekers nog een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij hun verzoek. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat vergunninghouder de uitspraak in de bodemprocedure niet zal afwachten. De toezegging is weliswaar gekoppeld aan 23 augustus 2022, maar de voorzieningenrechter heeft geen enkel aanknopingspunt dat daarin niet ook 22 augustus 2022 is begrepen. Bovendien is de nieuwe zittingsdatum van 22 augustus 2022 met vergunninghouder afgestemd.
7. De voorzieningenrechter heeft op basis van een voorlopige beoordeling van de omgevingsvergunning van 10 maart 2022 tot slot ook geen reden om ernstig aan de rechtmatigheid van het besluit te twijfelen. De dossierstukken en de beroepsgronden die verzoekers hebben aangevoerd geven daar geen aanleiding toe.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Zoals bepaald in artikel 8:82, vierde lid, onder b, van de Awb, zal de griffier het door verzoekers betaalde griffierecht voor het verzoek, aan hen terugbetalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer de Bruin, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.