ECLI:NL:RBMNE:2022:3603
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, welke door verweerder op €341.000 is vastgesteld voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder heeft ter onderbouwing een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting tonen een zorgvuldige vergelijking met referentiewoningen, rekening houdend met gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en staat van onderhoud. De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals de gehanteerde indexering en verschillen in kwalificatie van voorzieningen, leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de indexering van verkoopprijzen adequaat heeft onderbouwd voor 2019, en dat de verkoopdata van referentiewoningen uit 2018 niet te ver van de waardepeildatum liggen om buiten beschouwing te blijven. Verder is geen sprake van schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij relevante stukken niet heeft ontvangen of dat hij tijdig heeft geklaagd over het ontbreken daarvan.
Gelet op het geheel concludeert de rechtbank dat de vastgestelde WOZ-waarde rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €341.000 wordt ongegrond verklaard.