Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
2.[eiser sub 2] ,
3.[eiser sub 3] ,
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
150,00(2 punten x tarief € 75,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de redelijkheid van de aanvangshuurprijs van een woonruimte, waarbij de huurder de huurprijs van €970 per maand aanvecht op basis van een lagere puntenwaardering door de Huurcommissie. De Huurcommissie had de huurprijs getoetst aan een puntenaantal van 118, gebaseerd op een minimum WOZ-waarde van €41.816, wat leidde tot een maximale redelijke huurprijs van €574,94.
De verhuurder stelt dat de WOZ-waarde van €153.000 met peildatum 1 januari 2017 moet worden gebruikt, wat een puntenaantal van 154 oplevert en een huurprijs boven de liberalisatiegrens rechtvaardigt. De kantonrechter volgt de recente prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat de minimum WOZ-waarde niet geschikt is als maatstaf indien geen WOZ-waarde met de juiste peildatum beschikbaar is.
Omdat er geen WOZ-beschikking met peildatum 1 januari 2016 bestaat, moet de WOZ-waarde op objectieve wijze worden vastgesteld. De kantonrechter stelt vast dat de WOZ-waarde van 1 januari 2017 kan worden aangepast met een waardestijging van 5% per jaar, wat resulteert in een WOZ-waarde van circa €145.714 op 1 januari 2016. Dit leidt tot een puntenaantal van 147, boven de liberalisatiegrens, waardoor de overeengekomen huurprijs als redelijk wordt beschouwd.
De vordering van de verhuurder wordt toegewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De overeengekomen kale aanvangshuur van €970 per maand wordt als redelijk beschouwd en toegewezen.