ECLI:NL:RBMNE:2022:3668

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 augustus 2022
Publicatiedatum
14 september 2022
Zaaknummer
AWB 22/562
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 lid 7 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding terecht verhoogd na kennelijke fout in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke procedure vordert verzoeker een hogere proceskostenvergoeding na een besluit van verweerder waarbij per abuis een te laag bedrag werd toegekend. Verweerder erkent de fout en stemt in met betaling van de juiste vergoeding, maar betoogt dat het beroep had kunnen worden voorkomen door direct contact.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker terecht in beroep is gegaan, aangezien hij het recht heeft om bezwaar te maken tegen een onjuiste beslissing. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het beroep onnodig was.

Gezien de geringe omvang van het geschil past de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 toe en stelt de proceskostenvergoeding vast op €189,75. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van €184,- aan verzoeker betalen. De uitspraak is gedaan door rechter Catsburg op 3 augustus 2022.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een verhoogde proceskostenvergoeding van €189,75 en het griffierecht van €184,- aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK [MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22 / 562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2022 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.M. Bergers),
en

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 22 maart 2022 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Verweerder heeft op 5 november 2021 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in bezwaar gegaan. Op 17 januari 2022 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 5 november en dat hij dit besluit herroept, waarbij twee punten ter vergoeding van de proceskosten is toegekend. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten, omdat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding. Verweerder is het met verzoeker eens dat hij, per abuis, een lager bedrag aan verzoeker heeft toegekend. De hoogte van de proceskostenvergoeding was door verweerder vastgesteld op € 534,- per punt, maar per 1 januari 2022 is dit bedrag verhoogd tot een bedrag van € 541,-. Verzoeker heeft dus twee keer € 7,- te weinig gekregen.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen. Verweerder heeft erkend dat er een kennelijke fout is gemaakt door de proceskostenvergoeding per punt te laag vast te stellen. Direct toen het beroepschrift door verweerder was ontvangen, heeft verweerder contact opgenomen met verzoeker om de kennelijke fout aan te passen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser contact op kon nemen met verweerder om dit recht te zetten, in plaats van in beroep te gaan tegen de intrekking en de vaststelling van de proceskostenvergoeding.
5. De rechtbank geeft verweerder geen gelijk, omdat eiser terecht in beroep is gegaan tegen het besluit. Verweerder heeft een fout gemaakt in het vaststellen van de hoogte van de proceskostenvergoeding. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat dit ook op een minder ingrijpende manier had kunnen worden opgelost, maar dit neemt niet weg dat verzoeker in zijn recht staat om in beroep te gaan op het moment dat hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar. Dit heeft verzoeker gedaan. Verweerder zal de proceskosten van verzoeker in deze procedure dus moeten betalen.
6. De rechtbank oordeelt dat, gelet op de omvang van het geschil, de zaak zeer licht moet wegen en past daarom een wegingsfactor van 0,25 toe.
7. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 189,75 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € € 759,- en een wegingsfactor 0,25).
8. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41, lid 7, Awb
), dit is € 184,-. Daarvoor is geen beslissing van de rechtbank nodig.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 189,75 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).