ECLI:NL:RBMNE:2022:367

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2022
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
UTR 21/3665
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 Gemeentewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op naheffingsaanslagen parkeerbelasting binnen twee kalenderdagen

Eiser ontving twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting van de gemeente Weesp, opgelegd op 16 en 17 juli 2021, beide voor het parkeren zonder betaling op een gefiscaliseerde parkeerplaats. Eiser betoogde dat slechts eenmaal kosten in rekening gebracht mochten worden binnen een periode van 24 uur, gebaseerd op een tekst op de website van de gemeente Amsterdam die de heffing uitvoert.

De rechtbank oordeelde dat het begrip 'kalenderdag' in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet leidend is en dat dit begrip niet gelijkgesteld kan worden aan een periode van 24 uur. De tekst op de website is minder eenduidig, maar verwijst ook primair naar een kalenderdag. De rechtbank concludeerde dat de wetgever de situatie bij datumgrenswisselingen heeft geaccepteerd.

Eiser verzocht ook om wijziging van de Gemeentewet, maar de rechtbank wees dit af omdat dit niet tot haar taak behoort. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3665

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Weesp

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 16 juli 2021 om 16:39 uur een naheffingsaanslag
parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer 1] en op 17 juli 2021 om 2:25 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting met nummer [nummer 2] opgelegd, beide ten
bedrage van € 66,50 (de naheffingsaanslagen) wegens het parkeren met een auto, merk Dacia kenteken [kenteken] , op een zogenaamde gefiscaliseerde parkeerplaats, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.
Bij uitspraak van 11 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld en een nader stuk naar aanleiding van het verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 3 februari 2022.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De auto stond op 16 juli 2021 om 16:39 uur en op 17 juli 2021om 2:25 uur geparkeerd op het P+R terrein aan de [locatie] ter hoogte van [nummer 3] te Weesp. Er was op beide tijdstippen geen parkeerbelasting voldaan.
2. Eiser voert aan dat hem slechts eenmaal het kostenbedrag van € 65,30 in rekening kan worden gebracht. Hij baseert die grond op een tekst op de site van de gemeente Amsterdam, die de heffing en inning van de parkeerbelasting voor de gemeente Weesp uitvoert. Op die site staat, voor zover hier van belang, vermeld: “Per dag wordt maximaal één parkeerbon met € 65,30 kosten opgelegd. Behalve als dezelfde auto op dezelfde dag op meerdere plaatsen wordt gescand”. Met “één dag” moet volgens eiser een periode van 24 uur worden bedoeld, anders zou het mogelijk zijn om bij het wisselen van de datumgrens binnen vijf minuten twee naheffingsaanslagen te ontvangen. Eiser verzoekt de tweede naheffingsaanslag terug te brengen tot een bedrag dat overeenkomt met de parkeergelden tussen de twee scans.
3. Verweerder handhaaft de naheffingsaanslagen. Hij verwijst naar artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet. Daarin staat vermeld: “Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht”.
4. De rechtbank onderschrijft de opvatting van verweerder. Het gebruikte begrip “kalenderdag” in de Gemeentewet sluit de interpretatie van eiser dat het moet gaan om een periode van 24 uur uit. De tekst op de site waarin het begrip “dag” wordt gebruikt is weliswaar minder eenduidig, maar naar het algemeen spraakgebruik verwijst ook die term allereerst naar het begrip kalenderdag. De tekst kan bij eiser niet het vertrouwen hebben gewekt dat het om een periode van 24 uur moet gaan. De door eiser geschetste mogelijke situaties bij de wisseling van de datumgrens zijn inherent aan het hanteren van een dergelijke grens en zijn door de wetgever kennelijk geaccepteerd.
De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser verzoekt de rechtbank ook om de gemeente op te dragen de tekst van de Gemeentewet te wijzigen. De Gemeentewet is een regeling van de landelijke wetgever en niet van de gemeente. Het is bovendien niet de taak van de rechtbank om voor te schrijven welke wetten en regels de overheid moet uitvaardigen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.