Uitspraak
1.De procedure
Bij de mondelinge behandeling is namens verzoekster mr. Oost verschenen. De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die een tussenvonnis heeft gewezen waarin een bewijsopdracht aan haar werd gegeven. Zij stelde dat de rechter onbegrijpelijk handelde en vooringenomen was, mede gelet op een eerdere klacht uit 2019 tegen dezelfde rechter.
De wrakingskamer heeft beoordeeld of het verzoek tijdig was ingediend en of er sprake was van een gerechtvaardigd vermoeden van partijdigheid. Gelet op overleg binnen verzoeksters organisatie en de ontvangst van het tussenvonnis werd het verzoek als tijdig beschouwd.
De kamer oordeelde dat de bewijsopdracht een procesbeslissing is die niet onbegrijpelijk is en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid. De eerdere klacht uit 2019 is niet relevant voor deze zaak.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd de onderliggende procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.